home
Nostradamus homepage
 

De Grootste Zondaar Ooit

Een vlotte, spirituele, historische roman over het leven van Nostradamus, de beroemde ziener uit de 16e eeuw.

Na een gelukkige jeugd weet Michel de Nostredame als jonge arts in de nadagen van de donkere Middeleeuwen de pest met succes in Frankrijk te bestrijden. Maar dan overkomt hém een ramp, die zijn leven totaal verwoest...

een roman van Eric Mellema



gratis flipboek (online lezen in flash)
gratis e-boek in pdf
gratis e-book in doc


boekomslag (ontwerper)



© 2006 Eric Mellema
Alle rechten voorbehouden



Met dank aan:

Jack van Mildert
Liesbeth Gijsbers
Moene Seuntjens
Marleen van Haeren
Ria Adriaensen
Els Pellis
Guus Janssens
Ronald Mengerink
Arthur Hendriks

Met speciale dank aan: Trudi Koning



Hoofdstuk 8/16



Hoofdstuk 1



'Brrr, wat is het hier verschrikkelijk koud.'
'Nou niet klagen, Mercurius, nog maar eenendertig dagen voordat je bent omgedraaid.'
'Wie is daar?'
'Ik ben Hermes, je hogere ik.'
'Hermes, je bezoek komt op tijd, want ik word knettergek van die eentonige wentelingen om mijn as.'
'Wel, ik kan je verklappen dat Zeus besloten heeft dat je opdracht er bijna op zit. Je hoeft alleen nog door het vlees te gaan, voordat je mag stralen.'
'En waarom weet jij dat allemaal?'
'Ik ben de snelste van de Melkweg en leg mijn oor hier en daar te luister. Bovendien is het mijn taak om boodschappen over te brengen.'
'Hoelang moet ik nog?'
'Totdat je op één lijn met de Zon en de Aarde staat, binnenkort dus.'
'Hm, het is tenminste weer eens wat anders dan een dode planeet te zijn. Mijn enige vertier is het planten van schokgolven en zonnebaden.'
'Je zal dit eenvoudige bestaan nog gaan missen, mijn stoffelijke broeder, maar heb nog even geduld.'

Een maand later vond er op Aarde een bijzondere geboorte plaats. Een mens met ongekende profetische gaven ging het levenslicht zien. De bevalling van de astroloog in de dop vond plaats in het prille begin van de Renaissance in het Franse stadje Saint Rémy de Provence. In een statig pand achter de markthallen, waar de koopmannen al enige tijd luid hun handelswaar aankondigden, waren de weeën begonnen. Reynière de Nostredame had nauwkeurig de datum van de geboorte uitgerekend, maar het inzetten van de bevalling kwam niettemin onverwachts. De kleine had waarschijnlijk een iets eerdere geboorte in gedachte om aan een optimale stand van de planeten te voldoen. De opvallend grote slijmprop, die tijdens de zwangerschap de baarmoedermond dient af te sluiten, was onlangs naar buiten gekomen. Dit was het teken dat het einde van de zwangerschap naderde. Reynière verloor bloed en liet haar vader Jean de Saint Rémy komen; haar vader was lijfarts van René de Goede, de wijlen graaf van de Provence. Zwetend lag ze op bed en haar man Jacques, die het tot notaris geschopt had, kwam haastig met haar vader binnengelopen. De barensweeën kwamen nu regelmatiger en werden steeds pijnlijker, totdat ze op het hoogtepunt zomaar ophielden. Haar vader keek bezorgd en betastte vakkundig de buik van zijn dochter. Opgelucht constateerde de arts dat het nog ongeboren kind bewoog en dat Reynière zoals gebruikelijk vruchtwater verloor. De gangbare pijnen keerden terug en de vliezen braken, de bevalling was nu echt begonnen. Langzaam maar zeker maakte Reynières lichaam een opening voor de baby naar buiten. De baarmoederhals, die tijdens elke zwangerschap goed samengetrokken is, ging nu steeds wijder openstaan. De wonderlijke nieuwkomer vocht alsof zijn leven ervan afhing en de uitdrijvingsfase verliep uitputtend. De ontsluiting zou wel liefst tien uur in beslag nemen. Uiteindelijk kwam het hoofdje als eerste tevoorschijn en zijn opengesperde oogjes namen de wereld kritisch in beschouwing. Jean en Jacques wisten niet wat ze zagen en keken elkaar lachend aan. De schouders waren nu aan de beurt, waarna de rest van het lichaampje probleemloos naar buiten gleed.
'Michel!' verwelkomde de moeder het natte hoopje vol trots. Jean pakte voorzichtig het ietwat bloederige kindje op, dat nog aan de navelstreng vastzat, en legde het op de buik van de moeder neer. De jongen was met de helm op geboren*(met vlies om het hoofdje: helderziende kinderen). Michel de Nostredame kwam precies op het middaguur op veertien december in het jaar 1503 tevoorschijn, met op de achtergrond het luidruchtige klokkengelui van de kerk van Saint Rémy. Zijn ouders waren dolblij met hun eerste kind, dat als katholiek een veilige toekomst tegemoet zou gaan. Jacques en Reynière stamden allebei uit een oud joods geslacht, maar enkele jaren daarvoor werden alle joden op straffe van de dood verplicht zich te bekeren tot het katholicisme. Op tafel brandde echter nog steeds de Chanoeka-kandelaar, kenmerkend voor het joodse lichtfeest, dat die maand gevierd werd. Bij dergelijke feesten werd de traditie heimelijk in ere gehouden en Jacques las dan altijd uit de Talmoed voor. Ditmaal richtte hij zich plechtig tot hun pasgeboren zoon en vertelde te midden van de hele familie dat de Talmoed over het wonder van Chanoeka spreekt. Michel lag in doeken gewikkeld en hoorde slechts de vaderlijke klanken.
Toen de kleine in de navolgende jaren kruipend en later lopend de wereld ontdekte, bleek dat hij een zeer nieuwsgierig ventje was. Hij wilde werkelijk alles in huis onderzoeken dat maar los of vast zat en elk voorwerp werd aandachtig op waarde geschat. Geestdriftig stortte hij zich ook op bezoekers en zat soms van achteren in hun haren te wroeten. Al snel verlegde hij zijn grenzen buitenshuis, waar hij zijn leeftijdsgenootjes links liet liggen. Zij speelden volgens hem nutteloos in de rondte. Eenmaal bluste hij midden in de winter het brandende haardvuur met water en zat dan gefascineerd naar de stoomwolken te kijken. Bij zijn eerste bezoek aan de markt kwam zijn gave tot voorzien aan het licht. De familie wandelde die dag langs de kraampjes met uitgestalde waren. Michel hield zich door zijn beperkte lengte alleen bezig met wat zich onder de houten stallen afspeelde: visresten, rottend fruit, afvalbloed, kapotte jute zakken, hier en daar een knagende rat en talloze schuifelende voeten. Dit onder nauwlettende blik van zijn moeder. De familie De Nostredame bleef bij een kraam met glaswerk stilstaan en wilde er iets moois voor de feestdagen aanschaffen. In de vorige eeuw kwamen drinkglazen alleen bij de sociale elite voor, maar tegenwoordig werd glas massaler geproduceerd, waardoor het betaalbaar werd. De gewiekste marktkoopman zette terstond zijn tanden in de zwakste schakel en probeerde de jonge moeder in te palmen.
'Weet u mevrouw, aardewerk en houten en tinnen tafelgerei zijn functioneel, maar wel erg lelijk. Glazen voorwerpen zijn tegenwoordig je van het.' Reynière hoorde hem monter aan, terwijl ze haar enige kind dichtbij hield.
'Er zijn verscheidene typen glazen drinkbekers in omloop,' ging hij verder. 'Zie hier, schitterende bekers met een holle, trechtervormige voet, en lage kelkglazen op een hoge, stengelvormige stam. Daarachter staan weer cilindervormige bekers met noppen.'
'En wat is dat voor soort?' vroeg ze.
'Dat zijn Berkenmeiers, mevrouw, drinkglazen met een trechtervormige cuppa en fijn gekartelde standring.' De koopman haalde alles uit de kast, omdat de familie zo te zien wel wat centen te makken had. Jacques vond de ribbelbekers wel leuk.
'De ribbelbekers zijn een populair model,' haakte de handelaar er meteen op in, 'naast lage drinknapjes, koolstronken en Berkenmeiers natuurlijk.'
'Waarom zitten die ribbels er eigenlijk op?' vroeg Reynière verder.
'De decoratieve ribbels of noppen zorgen voor meer grip op het glas.'
'En wat verkoopt u het meest?' informeerde haar man.
'Vooral glazen drinkgerei gaat grif van de hand. Schenkgerei, zoals flessen, zijn nog erg kostbaar.' De specialist bleek als enige in de streek een grootse verzameling glas te bezitten en fier haalde hij zijn mooiste fles tevoorschijn. De familie raakte onderhand volledig in vervoering van zijn producten en Jacques verzocht de man of hij dit exemplaar van dichtbij mocht bekijken. De kleine Michel gedroeg zich al die tijd voorbeeldig en keek in alle rust naar de halfvolle kisten onder de kraam. Daarboven pakte Jacques het glazen pronkstuk onhandig aan en het gleed pardoes uit zijn handen. De verwachte knal bleef verrassend genoeg uit en allen richtten geschrokken de aandacht omlaag. Daar had hun zoon de peperdure fles zomaar opgevangen. Hij zette het geschenk uit de hemel speels aan zijn lippen, waarop de eigenaar het resoluut uit zijn handjes weggriste. Na vele spijtbetuigingen van Jacques om zijn klunzige gedrag, vertrok de ontgoochelde familie zonder koopwaar naar huis. Daar stak de met de schrik vrijgekomen vader de loftrompet over zijn zoon.

Zijn ouders droegen de knaap voor zijn opvoeding over aan grootvader. Bij de erudiete Jean was hij in goede handen. De voormalige lijfarts en astroloog leerde zijn kleinkind naast wiskunde, Oudgrieks, Latijn en Hebreeuws, ook de beginselen van de astrologie. Zo nam Jean hem vaak 's avonds mee naar buiten het dorp, om saampjes liggend in het veld naar de sterren te kijken. Daar vertelde hij dat je het best in de winter de noordelijke hemel, en in de zomer de zuidelijke hemel kon bekijken, en dat de winterse sterrenbeelden, zoals de Grote en Kleine Hond, gemakkelijk met de ster Orion te vinden waren.
'Ik wil later ook een ster worden,' zei zijn kleinzoon toen.
'Wat grappig dat je dat nu zegt. Ik dacht net aan een spannende anekdote waarbij iemand voor straf als ster aan de hemel wordt geplaatst. Het gaat over Orion, die zijn zeven zussen de Plejaden achternazat. De zussen zagen de achtervolging echter als een bedreiging en baden om hulp, waarna de godin van de jacht hun verzoek inwilligde en de broer met een van haar pijlen doodde. Vervolgens werd Orion als ster aan de hemel geplaatst. Maar ik weet niet of dat met mensen van vlees en bloed ook mogelijk is, Michel. Hoewel, er schiet mij te binnen dat er in oude geschriften melding van gemaakt wordt. Dus wie weet? De Plejaden zijn trouwens met het blote oog te zien. Kijk, daar staan ze,' en Jean strekte zijn arm uit naar de zwarte hemel.
'Die sterren lijken elkaar wel aan te raken,' merkte de jongen op.
'Dat lijkt zo ja, maar in werkelijkheid staan ze juist ver van elkaar af,' zei hij. In de lente toonde opa de sterren Arcturus, Regulus en de fonkelende Spica, de helderste sterren aan de lentehemel, die samen de lentedriehoek vormen. Pas weer in de herfst, die zomer waren de sterren niet goed zichtbaar, toonde grootvader het gevleugelde paard Pegasus, dat vaak lastig te vinden is doordat het op z'n kop staat. Door de uitstapjes leerde Michel de constellaties kennen en telkens mopperden zijn ouders dat ze zo laat thuiskwamen.
Op een heldere avond, toen Jean zijn kleinzoon eens te meer had meegenomen, betrok het weer onverwachts. Er was geen hemellichaam meer te zien en Michel maakte verwensingen naar de donkere wolken die zich samen pakten. Die nacht lag de belhamel in zijn bed te woelen, dat met lange gordijnen van andere slaapgedeeltes was afgescheiden. Hij was nog steeds kwaad en teleurgesteld, toen plotseling de vensterluiken opensloegen, waarna een razende tornado hem uit bed trok. Hij wist zich nog net aan het kozijn vast te grijpen, terwijl zijn lichaam al buiten bungelde. Reynière ontwaakte tegelijkertijd door moederinstinct, schudde haar man wakker en samen renden ze naar hun kind, dat in doodsnood verkeerde. Met z'n tweeën trokken ze zoonlief de kamer terug in en ze sloten daarna het raam stevig af. Niet echt beseffend wat er was gebeurd, gingen ze opnieuw slapen, toen enige tijd later het venster wederom werd opengetrokken. Andermaal richtte de windhoos zich ziedend op de begaafde jongen, maar zijn ouders waren er als de kippen bij en overwonnen het natuurgeweld eer hij de kamer werd uitgezogen. De luiken werden voorgoed dichtgespijkerd. Deze les zou hun zoon niet meer vergeten. Geen vervloekingen meer tegen wie of wat dan ook, nam hij zich voor.

Op een dag kwam er bericht van Pierre de Nostredame, de andere grootvader van Michel, die van zijn vaders kant. Pierre woonde met zijn vrouw in Grasse en nodigde de hele familie uit om een paar weken bij hen te komen logeren. Pierre was ook lijfarts geweest en wel van de zóón van René de Goede. Toen deze in Barcelona werd vermoord, vestigde Pierre zich in de opkomende parfumstad. Jacques en Reynière besloten op zijn uitnodiging in te gaan. Voor de reis was een flinke voorbereiding nodig, omdat Grasse niet bepaald naast de deur lag en ze er in de loop der jaren vier kinderen bij hadden gekregen, allemaal jongens. Een drukke bedoening. Een aantal weken later was het dan zover en ze stapten in de gepachte koets met een span paarden. Vader, moeder en drie zonen. Jean bleef thuis met de twee jongsten. Na een paar dagen bereikten ze Cannes, vanwaar een pad landinwaarts richting Grasse leidde. Het landschap werd hier aan alle kanten begrensd door weelderig begroeide heuvels en het nodigde uit voor een tussenstop. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, omdat zoon Hector meteen spoorloos raakte en het drie uur kostte, voordat ze hem in een spleet hadden teruggevonden. En wie moest de knaap vinden? Michel natuurlijk! Hector kreeg een draai om zijn oren en ze reden verder. Achter hen was af en toe nog een glimp van de Middellandse Zee te bewonderen. Er waren niet veel bloeiende planten in de parfumstreek. De zomer liep ten einde en de bijen zochten naar de laatste honing. Eindelijk zagen ze Grasse tegen een berghelling liggen, omringd met velden die pas in de lente weer hun bloemen zouden prijsgeven. Toen ze de rijke handelsstad binnenreden, keken vooral de jongens hun ogen uit. Er waren tal van leerlooierijen te zien, die volgens vader nog niet lang geleden een verschrikkelijke stank verspreidden. Om de penetrante geur van het leer te verdrijven, hadden de Grassois bedacht om het leer met een mengsel van dierlijke vetten en bloemen te doordrenken. Uit de nood ontstond een deugd en binnen afzienbare tijd werden geparfumeerde tassen, handschoenen en broeksriemen een heuse rage. Moeizaam hobbelde het rijtuig langs de vele winkeltjes met uitgestalde lederwaren, maar ten slotte bereikten ze Place aux Aires, waar hun grootouders woonden. Bertrand smeet driftig het koetsdeurtje open om zo snel mogelijk te gaan ravotten, maar zijn vader weerhield hem.
'Eerst je grootouders begroeten, jongeman,' zei hij. Pierre kwam ondertussen zwaaiend aangelopen en begon meteen de koffers naar binnen te sjouwen. Ondanks zijn hoge leeftijd was hij zeer kras en hij werkte nog steeds voor het artsengilde. Na opa gezoend te hebben, renden de drie broertjes in extase de wildvreemde, maar o zo aanlokkelijke stad in.
'Laat hen nog maar even spelen,' zei Reynière versuft tegen haar man, 'dan kunnen wij in alle rust onze bagage uitpakken.' De kinderen paradeerden inmiddels langs de vele parfumeurs, zeepziederijen, destilleerderijen en andere handelaren. Grasse was een bruisende maar ook een heel vieze stad en de open rioolgoten konden de bergen afval niet of nauwelijks verwerken. Desondanks rook het heerlijk in de straten. Overal waren er koffers, zakken en ballons vol bloemenwater, oliën, wijn, lavendelzeep, kruiden en geurend leder. De elfjarige Michel was in een waar paradijs voor de zintuigen beland en werd spoedig overvallen door een specifieke geur die hem een steegje introk.
'Waar ga je nou naar toe?' riepen Bertrand en Hector verbaasd. Maar Michel gaf geen soelaas en liet zich vol overgave door het nauwe straatje leiden tot aan een poort, die naar buiten de stad voerde. Onder de stenen boog stond hij een moment stil, sloot zijn ogen en rook. Hier was de geur op zijn sterkst. Hij snoof de eigenaardige lucht diep op, die zoet en tegelijk macaber was. Even later keerde hij vervuld terug en vond zijn broertjes spelend op het plein. De dagen vlogen in deze fantastische stad voorbij en morgen zou het alweer spannend worden: een bezoek aan een bekende parfumerie. Grootvader Pierre was bevriend met Amalfi, de eigenaresse van het fabriekje. Hij had haar toezegging dat zijn familie een rondleiding zou mogen meemaken. Zo begaven ze zich die ochtend tussen de potentiële kopers, die van heinde en verre waren toegestroomd, en Amalfi leidde hen persoonlijk rond. De deftige lieden zagen Hector uitgebreid in zijn neus peuteren en vader gaf hem een standje. Amalfi vertelde intussen over haar fameuze geurenlijn.
'In deze azuurblauwe flacons zitten verschillende eau de toilet en soliflores voor vrouwen.' De groep schuifelde na haar inleiding naar een volgende tafel, terwijl hun andere zoon lastig werd. Bertrand probeerde uit het zicht de flacons te openen.
'Blijf daarvan af, Bertrand,' waarschuwde vader. De madame merkte het gelukkig niet en sprak verder: 'Soliflores zijn geurwaters met slechts één bloem, plant of fruitsoort.' Na een uitvoerige opsomming van het assortiment volgden de gasten haar naar een ander vertrek, waar ingenieuze werktuigen stonden opgesteld.
'Dit zijn onze destillatie-alambieken. Destillatie is door de Arabieren ontwikkeld.' De aandachtig toeluisterende Michel en zijn grootvader hoorden nu hoe Hector bij moeder zeurde voor toestemming om te plassen. Het storende gepraat haalde ook de fabrikante uit haar verhaal en ze kuchte geagiteerd.
'Ga vlug naar buiten, maar wees stil!' gebood Reynière haar kind.
'Oorspronkelijk komt jasmijn uit India en Spaanse zeelui hebben de bloem niet lang geleden via Noord-Afrika in Grasse geïntroduceerd. Maître Gantier heeft er een monopolie op weten te krijgen,' hervatte de madame.
'Een goede gelegenheid om een parfum te kopen,' fluisterde Reynière tegen haar man. Jacques zegde gemakzuchtig toe, omdat hij volledig door de kleintjes in beslag werd genomen. Gelukkig draalden ze voor het moment om Pierre heen en gedroegen ze zich netjes. Vader wist zelfs nog een laatste flard van het verhaal op te vangen.
'Als ik ze vergelijk met buitenlandse jasmijn, valt het mij iedere keer weer op dat Jasmin Grassois meer diepte en volume heeft. Ach, ik zou u nog veel meer kunnen vertellen over onze parfumerie, maar ik zie mij genoodzaakt de rondleiding te beëindigen. Zijn er nog vragen of opmerkingen?' Onverhoeds liep Michel met veel elan naar voren en vroeg of hij het woord mocht. Vader kreeg inmiddels hoofdpijn van alle onvoorspelbare reacties van zijn koters, maar mevrouw Amalfi was daarentegen gecharmeerd van het kinderlijke verzoek en stemde ermee in. Michels bloed ging sneller stromen. De kleine profeet rechtte de rug en sprak met zeggingskracht zijn eerste voorspelling uit.
'Deze parfumerie zal ooit eens zeer bekend zijn. Dat zal te danken zijn aan een leerling met een uitzonderlijk goede neus. Zijn naam is Montesquieu en hij zal drie meesterlijke luchtjes produceren. Op zijn hoogtepunt zal hij voor zichzelf een bizar parfum met de geur van jonge, pas gedode meisjeslichamen maken. Na zijn dood zal het succes weer afnemen.' Hiermee eindigde de vroege tiener zijn oratie en stapte toen waardig naar zijn ouders terug. Iedereen stond paf en ook Amalfi wist niet te reageren. Jacques gaf zijn zoon maar geen standje, omdat de jongen zich correct aan de omgangsregels had gehouden. Niemand sprak nadien over de macabere voorspelling, die niet te rijmen was. Ietwat beschroomd voor het optreden van zijn rare kleinzoon bedankte Pierre de eigenaresse voor het boeiende uitje en de familie keerde naar huis terug. De vakantie liep spoedig ten einde.

Opa Jean was erg blij met hun terugkomst, vooral vanwege Michel, met wie hij een bijzondere band had opgebouwd. Toen het rijtuig in hun straat de Rue des Remparts kwam aangereden, zochten de twee dan ook direct oogcontact. Hector en Bertrand waren doodop van de lange rit en gingen rechtstreeks naar bed, maar Michel was nog steeds opgewonden van zijn optreden. Koortsachtig besprak hij met grootvader zijn merkwaardige voorspelling en drang tot openbaring. De eigenaardige geur in Grasse had bij hem iets wakker gemaakt, meende de beginnende puber. Jean nam hem serieus en stelde voor dat hij al zijn inzichten met betrekking tot de astrologie zou delen, maar nu moest Michel ook naar bed. Pas na uren dreven de spranken van zijn geest weg en viel hij in slaap. Een paar maanden later vond opa het een geschikt moment om zijn oudste kleinkind verder in de astrologie te onderrichten. Hij zou hem het naadje van de kous vertellen en nam hem die avond mee naar de zolder. Dit was zijn persoonlijk vertrek en niemand mocht daar ongevraagd rondsnuffelen. Zeker geen kinderen, want hij was bang dat zijn kwetsbare instrumenten beschadigd werden of dat zijn papieren zoek zouden raken. Vanuit zijn luie stoel vertelde grootvader Michel dat hij een tijd geleden in Parijs een vernuftig apparaat op de kop had weten te tikken. Het waren twee geslepen lenzen in een pijp, waarmee je heel ver kon kijken.
'Dankzij deze uitvinding is er een wereld voor mij opengegaan,' zei hij, 'en naar mijn inzien ben jij nu oud genoeg om deze wereld te betreden. Ik zie jou namelijk een grote toekomst tegemoet gaan. Je hebt uitzonderlijke geestelijke vermogens en daarom ga ik jou alles wat ik maar weet over sterrenkunde vertellen. Tot dusver liet ik niemand zonder toezicht op deze kamer, maar voor jou maak ik een uitzondering. Hierbij geef ik je toestemming om al mijn instrumenten en boeken te gebruiken wanneer jij maar wilt.' Zijn opa stond op en haalde een groot voorwerp onder een stoffige doek vandaan.
'Met dit kijkglas, jongeman, zie je de planeten van zo dichtbij dat je je er waant. Maar eerst reik ik je enige theorie aan, voordat we de hemel gaan ontdekken.' Zijn kleinzoon keek intussen met argusogen naar het spannende apparaat.
'De astrologie zoekt het verband tussen de verschijnselen in de kosmos, op Aarde en in de mens. Maar hebben we het hier niet eerder over gehad?' Michel schudde van nee.
'Mijn geheugen is niet best meer, jongen. Door dit onderzoek zijn we in staat uit de gegevens van één moment die van een reeks volgende af te leiden. Met andere woorden: we kunnen er de toekomst uit voorspellen. Dit is veel moeilijker dan het lijkt. Al sinds mensenheugenis gaat men ervan uit dat de Zon, de Maan en de planeten ons leven hier op aarde beïnvloeden.' Grootvader stond weer op, maakte het dakluik open en plaatste het kijkglas met statief eronder.
'Kom eens hier staan, de zon is juist ondergegaan en wellicht kunnen we enkele planeten zien. Ik zal eens even kijken of... Daar is ze! Kijk Michel, een handlengte boven de laatste zonnegloed: Mercurius, de planeet van het verstand en de geestelijke vermogens.' Zijn kleinzoon keek door het apparaat heen en ontdekte een roze planeet die twinkelde. Jean sprak verder.
'Zoals je weet, draait de Aarde in één jaar rond de Zon en niet andersom, zoals de Kerk beweert. Die houdt ook nog steeds vol dat de Aarde plat is en dat je eraf kunt vallen. Zotteklap! Ze zien hun volgelingen liever dom dan wijs.'
'De Zon maakt toch ook jaarlijks een cirkel?'
'Jawel, maar niet om de Aarde, maar langs verschillende sterrengroeperingen. En die groepen tezamen noemen ze de dierenriem of Zodiak. Zo zijn er Tweelingen, Ram, Stier, Waterman, enzovoort.'
'Ik ben Boogschutter.'
'Ontegenzeggelijk, jongen, maar het duurt nog een tijdje eer de Zon daar langssuist, want we leven thans in het Waterman-tijdperk.' Opa tuurde weer door het kijkglas en zette zijn relaas voort.
'Mercurius is altijd in de buurt van de Zon en is om die reden vaak niet goed zichtbaar, maar vanavond hebben we geluk,' en hij gaf het apparaat door.
'Ik vind die planeet niet echt spannend,' vond Michel, terwijl hij door de lenzen tuurde.
'Dan moet je de Maan eens zien,' en vredig zocht Jean het hemellichaam in het wolkenloze gewelf op. Er was sprake van echte liefde tussen grootvader en kleinzoon. Misschien wel omdat ze erg op elkaar leken. Zo hadden ze dezelfde interesses en waren ze beiden tenger van postuur. Alleen de jongste had het leven nog voor zich en opa duidelijk niet meer.
'Dit is wat jij wilt zien,' zei Jean en hij stapte opzij.
'Wauw!' riep Michel en hij vergaapte zich aan de gigantische Maan vol kraters, bergen en kloven.
'Er loopt iemand op de Maan rond, grootvader.'
'Haha, die is leuk. Ook al zou dat mogelijk zijn, het is te ver weg om zulke details te zien.'
'Ik zie hem echt,' hield de jongen aan. 'Hij plaatst een vlag met roodwitte strepen en sterren.' Jean trok een bedenkelijk gezicht en nam het kijkglas over. Daar stond zijn vertrouwde Maan, veel te ver weg om een mens te zien.
'Ik zie niet wat jij ziet, Michel.'
'Misschien staat het nog te gebeuren?'
'Alles is mogelijk, knul, maar ik weet alleen over zaken te praten, waar ik verstand van heb. Zo wilde ik je nog uitleggen, hoe je een horoscoop moet trekken,' en ze lieten de hemel voor wat het was en gingen op bed zitten.
'Om een horoscoop te berekenen heb je een aantal gegevens nodig. Dat zijn de datum, tijd en plaats van je geboorte, maar het belangrijkst is de geboortedatum. Laat ik als voorbeeld je eigen horoscoop erbij nemen.' Grootvader doorzocht een lade van zijn bureau en haalde er een vel vol vreemde tekens uit.
'Is dat de mijne?'
'Even kijken, geboren in Saint Rémy, op twaalf december 1503. Ja, dit is die van jouw.'
'Het moet wel de veertiende zijn.'
'De veertiende? Dan moet ik het er verkeerd boven hebben gezet, want ik controleer alles driemaal. Het zal wel door de ouderdom komen,' en opa verontschuldigde zich. 'Enfin, je hebt een zwaar beladen horoscoop met drie buitenplaneten: Mars, Jupiter en Saturnus. Door deze heftige samenstelling heb je een ijzeren discipline nodig om de scheppingskracht te beheersen. Als dit je niet lukt, zal de kracht verwoestend uitpakken.'
'Zoals Simson, die een hele tempel liet instorten?'
'Eh, dat is niet echt een goede vergelijking. Je zal in elk geval je energie moeten leren kanaliseren. En knoop goed in je oren dat in ieder mens evenveel goed als kwaad schuilt,' en Jean vestigde zijn aandacht weer op de horoscoop.
'Deze tekening hier toont de twaalf huizen en...' maar zijn betoog haperde opeens.
'Ik ben moe,' vervolgde hij amechtig. 'Maar als je meer wilt weten, het wordt allemaal beschreven in dat lijvige werk daar,' en hij wees een boekenplank aan. Grootvader was niet meer aanspreekbaar.

Jean en Michel raakten meer en meer aan elkaar verknocht en werden een onafscheidelijk koppel. Zo gingen ze dikwijls de hele dag naar een oud klooster*(Het latere gesticht waarin Vincent van Gogh in 1890 verbleef), dat een paar kilometer ten zuiden van Saint Rémy verscholen lag. Ze lazen daar urenlang in oorspronkelijke bijbels. Michel leerde er bovenal tot de christelijke God te bidden en hield zich, ondanks zijn joodse achtergrond, moeiteloos aan de katholieke voorschriften. Het was immers toch dezelfde God als uit het Oude Testament, vond hij. Jean neuriede altijd tijdens het gebed, tenminste als er niemand anders aanwezig was. Van de priorij uit struinden ze bij mooi weer door de omliggende lavendelvelden, waar een geheimzinnig, half verzakt, piramideachtig bouwwerk te vinden was. Zijn belezen grootvader wist over alles een opmerking te maken.
'Uit de Griekse oudheid,' zei hij over het bouwwerk en hij rustte er tegelijk bij uit. Michel zat daarentegen vol energie en verkende tijdens Jeans gebruikelijke dutje de omgeving. Op een dag kwam hij enthousiast aangelopen.
'Verderop zijn er allemaal holen in de rotsen uitgehakt, opa. U moet dat zien!' Maar Jean bleef rustig zitten en verklaarde doodleuk dat de holen ooit eens voor geiten waren gemaakt, om ze te beschermen tegen roofdieren. Hij had ze blijkbaar al eerder ontdekt. Op een keer kwam hij amper overeind en toen moest Michel hem letterlijk naar huis toe slepen. In de adolescentie begon de jongeman naar meisjes te kijken en voor zijn mentor was dat een goede aanleiding om over het huwelijk van twee zielen te praten. Hij legde hem uit hoe de mannelijke en de vrouwelijk ziel kunnen samensmelten en dat het principe man-vrouw alom in het universum vertegenwoordigd is.
'Heb je dan ook vrouwelijke en mannelijke planeten?' vroeg Michel.
'De planeten zijn in principe allemaal vrouwelijk. Ze noemen onze planeet niet voor niets moeder aarde,' antwoordde Jean.
'En hebben wij mannen nog iets in het heelal in te brengen?'
'Wel, de sterren zijn mannelijk. Zo is er een straal- en een schaalbewustzijn. Deze eeuwige polariteiten zijn tevens de essentie van de alchemie.' Het grootste gedeelte van zijn jeugd bracht de jongeling met zijn grootvader buitenshuis door en zijn ouders zagen hun snel ontwikkelende zoon nog maar zelden. Alleen tijdens de middagmalen was er nog een algeheel samenzijn. Dat ze elkaar zo weinig zagen, lag niet alleen aan Michel en Jean. Jacques werkte namelijk de hele dag op het notariaat en Reynière had, naast het bestieren van het huishouden, haar handen vol aan de jongste kinderen. Vooral de zevenjarige Antoine was een moeilijk geval, want hij gedroeg zich zeer recalcitrant. Michel kon verder goed met zijn broertjes opschieten, maar samen spelen? Nee, dat zat er niet in. De seizoenen vlogen zo aangenaam voorbij, tot die ene trieste dag. Men trof zijn dierbare grootvader in zijn vertrek aan. Hij bleek van ouderdom gestorven te zijn. Michel had hem al een tijdje achteruit zien hobbelen en wist dat zijn einde eraan zat te komen. Het was desalniettemin een hard gelag.

Het miezerde op de dag van de begrafenis van Jean de Saint Rémy. Er werd afwisselend bij de dode in huis gewaakt, totdat het lijk voor de uitvaart werd overgebracht. Alle familieleden waren aanwezig. De oude Pierre en zijn vrouw waren helemaal uit Grasse overgekomen, en de drie zussen en nichten van Jean uit het dichterbij gelegen Marseille. De katholieke gebedsdienst vond plaats in de kerk van Selongey. De families gingen te voet naar de kerk, waar de lijkkist inmiddels was geplaatst. Michels grootouders liepen onderweg zo traag, dat hij alle tijd had om de chique huizen met traptorens op de Place des Halles tot in detail te bekijken. Eindelijk arriveerden ze dan bij de kerk, waar zich veel vrienden en bekenden hadden verzameld. Bij de ingang werd Michel per ongeluk door een grote man met rossig haar aangestoten. Zijn schoenen zaten onder de verf. Hij was klaarblijkelijk geen genode gast maar wilde wel naar binnen. Michel schonk er verder geen aandacht aan en de rouwstoet bewoog zich stapvoets door de poort met de imposante rondboogdeur. Jacques en Reynière schreden als eersten langs een rij pilaren de kerk in en daarachter kwamen Michel en zijn vier broertjes op chronologische volgorde. Reynière was erg aangeslagen en plengde af en toe een traan om haar verloren vader. Het publiek zette zich vervolgens neer op de houten bankjes in de hoofdkapel, waar de kist centraal stond opgesteld. De kerk van Selongey bezat diverse kapellen, die allen verlicht werden door ramen met bloedrode verdelingen. Heel in de hoogte was er een schildering van een apostel. De laatste bezoeker vond onderhand zijn plek en pastor Bergé, die een vaal rood schouderkleed droeg, ving zijn preek aan. De uitvaartdienst was, zoals bekend, gericht op de reiniging en rust van de ziel van de overledene.
'Als iemand gestorven is, betekent dit dat hij of zij onherroepelijk afscheid heeft genomen van onze wereld. Deze mens is dan bij God. Dit is geen einde, maar een nieuw begin. Wie goed heeft geleefd gaat naar de hemel, en wie slecht heeft geleefd gaat naar de hel. De overgang van leven naar dood is dikwijls geen harmonieuze overgang. Maar de Heer beschermt ons allen, omdat hij het ingewikkelde leven van mensen begrijpt en een ieder accepteert zoals hij is.' De pastor bladerde voorts knullig achter zijn katheder in de Bijbel en begon toen een ellenlange passage in het Latijn voor te lezen. Michel keek wat om zich heen en herkende het metalen wijwatervat, een omgekeerde torenklok, waar een vriendje van hem eens bijna in verdronken was. Overal brandden er kaarsen, zelfs zo veel dat de graftombe van de stichter van de kerk in de voorste kapel verlicht werd. Zijn ingegraveerde beeltenis was bij binnenkomst te zien. Jean had zijn kleinzoon lang geleden weten te interesseren voor kunst en cultuur en samen hadden ze de kerk van Selongey meerdere malen bezocht. Michel kende het interieur goed en zou liever de muurschilderingen bekijken dan het eentonige stemgeluid van Bergé te moeten aanhoren. Of de gepantserde kluis in de sacristie. Dat kon hij natuurlijk niet maken. Grootvader zou het prima vinden. 'Het leven gaat voor de dood,' zei deze altijd. Tenslotte prees Gods dienaar de overledene voor zijn barmhartigheid in gewoon Frans en de bezoekers zaten weer rechtop. Michel zag de slechthorende beiaardier opstaan, die popelde om zijn achtenveertig klokken aan te zwengelen, en die alvast zijn traptoren betrad. Intussen besprenkelde de pastor het stoffelijk overschot met wijwater en bewierookte het. Dit was om aan te geven dat de overledene in zijn lichamelijkheid heilig was voor God. De misdienaar sprak nog enkele gebeden uit, waarin om vergiffenis voor Jeans zonden werd gevraagd. Na het gezang schreden de pastor en zijn helpers de kerk uit en de dragers met de kist volgden hen. Daarachter liepen de aanwezigen. De klokken werden geluid en ze begaven zich allemaal naar het kerkhof vlak achter de kerk. De nabestaanden naderden zwijgend de begraafplaats. Familie, vrienden en toestromende belangstellenden verzamelden zich rondom het gedolven graf, waar de dragers de kist langzaam in het open gat lieten zakken. Reynière legde nog haastig een paar bloemen op het deksel, voordat de pastor, die bij het uiteinde stond, de groeve in stilte zegende en het 'Onze Vader' bad. Naderhand strooide hij een schepje aarde op de kist met de woorden 'Gij zijt tot stof en tot stof zult gij wederkeren.' Vervolgens nam iedereen afscheid van joviale Jean door ook een schepje aarde op zijn kist te gooien, en Michel zag zijn gestorven makker langzaam verdwijnen. Tenslotte bedankte vader de aanwezigen voor hun medeleven en de familie keerde gelaten naar huis terug.
Na de rouwperiode bezochten Michel en moeder het heiligdom van grootvader op zolder. Nog verdrietig opende Reynière de luiken om de kamer te verlichten, waarna ze de nalatenschap inventariseerden. Herinneringen kwamen bovendrijven en haar zoon staarde een tijdje in mineur door het dakraam naar buiten.
'Wat is die zolder toch levenloos en verlaten,' bromde hij, toen moeder onverwachts door een van haar kinderen beneden werd geroepen.
'Ben zo terug, Mies,' en ze liet hem alleen achter. Vanuit het dakraam had je een aardig uitzicht over het stadje. Een halve kilometer verder ontdekte hij een nieuwe woning, die buiten zijn medeweten was gebouwd. Er stond ook een raam open, een van glas. Ongekend, maar het was te ver weg om het goed te zien.
Laat ik de kijker van opa gebruiken, bedacht hij ineens en weldra nam hij elke spikkel van het huis waar. Toen kon de jongeling de verleiding niet weerstaan en keek hij stiekem naar binnen. Hij zag een rijzige man met kort, donker haar, die gepassioneerd achter een schildersezel bezig was.
Wie bootst er nou zonnebloemen na? vroeg Michel zich verbaasd af. De onbekende stond voor een schildersdoek en doopte zijn penseel herhaaldelijk in de verf. Op een gegeven moment pakte hij een ander penseel, waarmee hij verfijnder kon schilderen, en wierp nogmaals een blik op de echte zonnebloemen, die slordig op een tafel erachter lagen. Opeens voelde de kunstenaar zich bespied en draaide zich met een ruk om. De betrapte voyeur schrok zich een hoedje, hoewel hij onmogelijk gezien kon worden, dacht hij. Toch leek de vreemdeling hem aan te staren, vriendelijk dat wel. Nu pas begreep Michel dat het weer een kijkje in de toekomst was. Vrijwel meteen daarna loste de andere wereld op. Ook het huis was geheel verdwenen.
Jakkes, niemand meer om mijn dagdroom mee te delen, treurde hij.




Hoofdstuk 2



Enkele maanden later ging Michel, inmiddels zestien jaar, in Avignon astrologie studeren. Zijn ouders hadden hem schoorvoetend toestemming gegeven om deze ongebruikelijke studie aan de universiteit te volgen. Avignon lag maar op twintig kilometer afstand van Saint Rémy, zodat hij gemakkelijk zijn ouders en broertjes kon blijven opzoeken. Avignon was een zeer belangrijke stad doordat het Pausenpaleis er was gevestigd. Vanaf 1304 was er een reeks Franse pausen en deze kerkelijke leiders gingen allemaal in Avignon wonen omdat hun overlevingskansen in Rome niet zo groot waren. De Franse stad en haar omgeving waren sindsdien pauselijk bezit. Jacques had van een klant vernomen dat mevrouw Plombier, wier man een halfjaar geleden aan de pest was overleden, met haar dochtertjes bij haar familie in Avignon ging wonen. Michel kon meerijden, mits hij de weduwe met haar huisraad zou helpen. Hij vond dat geen punt en ze maakten een afspraak. Mevrouw Plombier had die laatste week haar huis opgeruimd en de inboedel stond ingepakt te wachten op haar jonge medepassagier. Michel klopte op de dag van vertrek aan en begon na haar aanwijzingen de oude, gammele wagen vol te stouwen. Toen naaste buren onverwachts de handen uit de mouwen staken, was het huisraad snel verplaatst. De madame nam daarna zelf op de bok plaats en samen met haar twee meisjes reden ze naar de Rue des Remparts om hun metgezel afscheid van zijn familie te laten nemen. Daar stonden ze allemaal gespannen te wachten, terwijl de weduwe het paard wat onervaren tot stilstand bracht. Michel sprong van de kar af en omhelsde zijn vader en moeder. Die laatste keek erg bedroefd.
'Afscheid nemen lijkt wel schering en inslag te worden,' jammerde Reynière en andermaal vloeiden er tranen langs haar mooie gezicht.
'Ik kom jullie snel opzoeken, hoor,' beloofde hij.
'Dat is je geraden ook,' zei vader, die hem een pakkerd gaf. Nadat de kersverse student ook zijn broertjes gedag had gezegd, werd het tijd om te vertrekken. Iedereen zwaaide hen na, totdat paard en wagen uit de straat waren verdwenen. Niet ver buiten Saint Rémy begon het te plenzen. De regen kwam met bakken tegelijk naar beneden en het werd griezelig donker. De vrouwelijke voerman had gelukkig op slecht weer gerekend en ze spande met Michel een bakzeil over de kar. Toen een bliksem insloeg, raakte het paard onrustig en de weduwe hield het met moeite in bedwang. Haar dochters van vijf en zeven zaten diep onder het zeil weggedoken. Spoedig werd het pad door het vele hemelwater moeilijk begaanbaar en het beloofde niet veel goeds te worden. Halverwege de reis waren er aan weerskanten van de weg ook nog eens grote, angstaanjagende vuren te zien. Er werden lijken verbrand. De pest, de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid, had opnieuw zijn tol geëist en de gruwelijke ziekte woedde door heel Europa. Mevrouw wist als geen ander waar deze vuren voor dienden. Ook haar man was niet lang geleden verbrand om besmetting van pest te voorkomen. Maar ze hield zich kranig en reed vastberaden door. Plotseling hoorden ze in de verte gekrijs, iemand leek om hulp te roepen. Ze besloten er maar niet op in te gaan en door te rijden. Het bleef buitenissig regenen en tot overmaat van ramp stak er een gure wind op. Het paard wist de wagen bijna niet meer vooruit te trekken en gleed regelmatig in de modder weg. Het raakte vermoeid en elke meter was een overwinning. Gaandeweg ontwikkelde er zich een heuse storm en waaiden er takken en struiken over de weg.
'Hel en verdoemenis,' hoorde je madame af en toe zeggen. Vele malen moesten ze stoppen en dan sleepte Michel de resten hout van het spoor. Na uren beestenweer bereikten ze afgejakkerd en doordrenkt van de regen het pauselijk gewest. Nog een laatste hindernis moest genomen worden: de oversteek van de rivier de Rhône. Met striemende tegenwind kwamen ze bij de fameuze brug van Avignon aan. Tot dusver hadden mevrouw Plombier en haar reisgenoot beurtelings op de bok gezeten maar bij de brug, waar de gevaarlijke wind vrij spel had, hield ze liever zelf de teugels in handen. Ze stond net op het punt het paard aan te moedigen om het boze water over te steken, toen Michel opeens luid 'halt' riep. Ze trok direct fel aan de teugels, waardoor het paard op slag moest hinniken en de wagen abrupt tot stilstand kwam. Door de klap begon het jongste meisje te huilen en haar zusje trachtte het tot bedaren te brengen.
'Wat is er in hemelsnaam aan de hand?' vroeg hun moeder verbaasd. De Nostredame gaf geen sjoege, sprong van de kar af en belandde in het slijk. Daarna zwoegde hij onverschrokken door de storm naar de brug, terwijl zijn lange kieljas alle kanten opwaaide. Op de stenen verbinding gekomen stond hij even bedachtzaam met zijn ogen op het wegdek gericht. Hij voelde hoe de sterk aangezwollen rivier langs de pijlers stroomde en liep weer terug.
'Wat spook je daar toch allemaal uit?' riep Plombier.
'De boedel moet van de wagen af,' antwoordde hij amper verstaanbaar door de harde wind.
'Ben je gek geworden of zo?' Michel klom op de bok en verklaarde zich nader.
'De brug staat op instorten!'
'Idioot, er rijden hier al jaren wagens over,' zei ze geïrriteerd. De student sprong uit protest van de wagen af en ging met de armen over elkaar in de modder zitten. Na kort beraad gehoorzaamde ze maar.
'Goed, als jij al het werk doet,' eiste ze, waarop de jongeman alvast de koffers naar de overkant begon te sleuren. Moeder haalde intussen haar kinderen onder het zeil vandaan en omklemd liepen ze hun eigenaardige reisgenoot achterna. Aan de andere kant van de rivier zocht het gezinnetje beschutting bij een rots, terwijl Michel naar paard en wagen terugging. Toen hij na veel geploeter het huisraad had overgebracht, bond hij een lang touw aan het paard en liep ermee naar de brug. Boven hen dreven dreigende wolken langs en het paard weigerde vooralsnog mee te komen. Michel spoorde het met ferme rukbewegingen aan. Aarzelend stapte het angstige paard naar voren en de wagen kwam geleidelijk in beweging. De eeuwenoude verbinding werd betreden en behoedzaam leidde de student het paard met de wagen over de brug, die er solide uitzag en geen enkel gebrek vertoonde. Na de probleemloze oversteek trok mevrouw een zuur gezicht en ze sprak geen woord meer tegen hem. Nadat de wagen weer was volgeladen, werd de reis voortgezet. Daar was ten slotte de grote stad. Ze bereikten haar nog juist voor zonsondergang en niet veel later zaten ze warm en veilig thuis bij het knetterende haardvuur van de familie Plombier. Na een goede maaltijd en nachtrust zouden hun wegen scheiden. De jongeling bedankte voor de gastvrijheid en met zijn spullen liep hij in de richting van de universiteit. In het centrum kondigde een gemeenteambtenaar heet nieuws aan en de student schaarde zich onder het toestromende publiek. Theatraal rolde de omroeper er een perkament uit.
'De brug van Avignon is ingestort,' hief hij met luide stem aan. 'Zeven mensen vonden vannacht de dood. De brug werd al een keer in 1226 verwoest. Gij ziet, de brug wordt niet door onze Heer gewenst. Onze bruggenbouwer Bénézet van weleer is ten onrechte heilig verklaard.' Het stond nu zwart van de mensen en velen belemmerden Michels zicht, maar hij wist genoeg en kuierde verder.

Er hing een harde sfeer in Avignon, die haar geschiedenis hoog op de rots bij de rivier begon. De stad, ooit het centrum van een Keltische stam, haatte bezoekers. Zijn grootvader had het vroeger al over de genadeloosheid van de Avignois. 'In Parijs maken ze ruzie, in Avignon steken ze je overhoop,' had hij gezegd. Avignon lag aan de bekende Via Agrippa, de belangrijke verkeersader tussen Keulen, Lyon en Arles. In het Parc des Papes nam Michel voor de nodige verstilling op een bankje plaats. Hij concentreerde zich op de oude eiken voor de universiteit, alvorens hij er de doop zou ondergaan. De feut droomde de laatste tijd erg veel en wist soms zijn dromen niet meer van het echte leven te onderscheiden. Hij zou een techniek moeten vinden om daar duidelijkheid in te scheppen. Wellicht dat zijn studie astrologie hem de nodige hulpmiddelen zou kunnen aanreiken. Na het navelstaren maakte hij kennis met zijn leraren en op hun advies betrok hij een kamertje in de Rue St-Agricol, een straatje niet ver weg.
Sindsdien wandelde hij iedere morgen door de binnenstad naar het schoolgebouw. Vanaf de Rocher des Doms had hij de stad goed in kaart weten te brengen. De Rocher des Doms was de rots die hoog boven alles uitstak en vanwaar de stad makkelijk te verkennen was. Michel slenterde gewoonlijk liever langs de grote boulevards, omdat hij daar zijn studies beter kon overpeinzen. Met een aantal studenten kon hij het goed vinden, ofschoon de meeste al snel jaloers waren op de bolleboos. Op de esoterische school vergaarde hij de eerste maanden nuttige kennis. Zo vernam hij dat de mens verschillende lichamen bezit, zeven in totaal: het fysieke, vitale, astrale en mentale lichaam en, op hoger niveau, het causale, buddhi en atma-lichaam. Er werd hem verteld dat deze zeven schedes bewustzijnslagen voorstellen en dat de planeten en sterren er eveneens uit zijn opgebouwd. Al deze lichamen staan in verbinding met elkaar en zijn bij ieder mens op z'n minst sluimerend aanwezig. Het zichtbare stoffelijke lichaam is van de meest grove soort. Het vitale lichaam houdt de stof bij elkaar en zorgt voor de nodige energie. Het astrale korps is verbonden met de emoties en openbaart zich vooral in de droomwereld. Het mentale lichaam staat voor het denken en het causale korps ontwikkelt zich pas als het denken volledig is doorgrond naar oorzaak en gevolg. Men spreekt van buddhi wanneer de mens daadwerkelijk ontwaakt, en atma staat voor de adem des levens, een toestand die men bereikt als men één wordt met het Al en het individuele aspect verdwenen is. Het was een spannende theorie maar praktijkvoorbeelden bleven uit.
Op een dag begaf de ijverige eerstejaars zich rond vijf uur 's morgens op de Place de l'Horloge om oefeningen te doen. Het plein was dan nog maagdelijk schoon en niemand liep hem in de weg. Na zijn oefeningen afgewerkt te hebben, wandelde hij goedgeluimd door de straten en geraakte buiten de stadsmuur, toen verscheidene rijtuigen met gardisten verrassend kwamen aanrijden. Er vond een geheimzinnige tussenstop plaats, want naarstig begonnen enkele kerels de uitgebluste paarden voor verse te verwisselen. Bovendien zat er in een van de geparkeerde rijtuigen een klein, dik mannetje vol eretekens, die tussen twee stevige bewakers zat ingeklemd.
Die moet iets op zijn kerfstok hebben, begreep de student. Het konvooi was duidelijk zo vroeg gearriveerd om geen last te krijgen van pottenkijkers. Het wisselen van de paarden en het inslaan van proviand namen enige tijd in beslag. Ondertussen keek Michel geboeid naar de arrestant, die een uitstraling had als die van een keizer. De man moest last hebben van grootheidswaanzin. Toen sloeg de vlam in de pan. Hordes Avignois stormden vanuit de Porte St-Lazare op de rijtuigen af en wilden wraak nemen op 'De kleine korporaal van Corsica.' De stadswacht probeerde het oproer nog te beteugelen, maar de woedende burgers waren niet te stuiten en omsingelden het middelste voertuig. Daar werd de beladen gevangene de huid vol gescholden. Andere opstandelingen gooiden weer stenen naar hem of zwaaiden dreigend met hun sabels. Een paar lieden sprongen even later op de koets, klommen naar binnen en scheurden zijn decoraties van eer af. Een ijlings aangereden officier wist de verhitte gemoederen te kalmeren, waarna de laatste paarden met grote haast werden voorgespannen. Het belaagde rijtuig met 'De kleine korporaal' wist te ontsnappen, nadat een gardist nog enkele fanatiekelingen van de wielen had weten af te trekken. De overige rijtuigen waren met rust gelaten en konden onbelemmerd hun reis vervolgen. De sprakeloze student peinsde na afloop wat na over de schokkende gebeurtenis.
'Hé, klootzak, sta je hier wortel te schieten of zo?' vloekte een werkman opeens.
'Heb je dat opstootje dan niet gezien?' vroeg Michel.
'Ik zie alleen een vreemdeling en daar houden wij hier niet van,' en hij rolde zijn ton verder. Het was de mores van Avignon. En de ongeregeldheden*(1814 de onttroonde keizer Napoleon bijna gestenigd in Avignon)..., die bleken niet meer dan een hallucinatie te zijn.

Na het eerste trimester waren de leraren een en al lof over jongeheer De Nostredame. Leuk en aardig, maar de begaafde leerling stak van hen bijkans niets meer op. Zijn grootvader had hem al zoveel over sterrenkunde bijgebracht en zijn docenten bleken daar moeilijk aan te kunnen tippen. De teleurgestelde Michel verwachtte dan ook niet veel van hen meer bij te leren. Gelukkig was er een prachtige bibliotheek met drie houten verdiepingen, de mooiste die hij zich maar kon voorstellen. Daar hing hij graag rond en hij ploos er eeuwenoude geschriften na. De leraren stimuleerden het genie tot aanverwante terreinen. Ze gaven mijnheer Grimbert, de bibliothecaris die door ziekte steeds moest bibberen, opdracht een lijst met boeken te verzamelen en deze voor de student opzij te zetten. Grimbert had het leesvoer in een afgescheiden gedeelte gezet, waar de jongeman in alle rust zijn gang kon gaan. Michel verslond de stapel geschriften in korte tijd. Naast enkele werken van opa was de Bijbel het enige boek dat hij grondig gelezen had, en verandering van spijs was van harte welkom. Er was uiteindelijk maar één manuscript dat hem echt aansprak en dat was de verhandeling over alchemie. Het leek een cliché, maar wie dacht er bij alchemie nou níet aan een donker laboratorium waar een oude, bebaarde tovenaar de vreemdste capriolen uithaalde. Het boek weersprak zijn vooroordeel en hij wilde zich er verder in verdiepen. In het bewuste werk stond dat alchemie na de kruistochten door de Arabieren in Spanje was geïntroduceerd, en derhalve doorvorste hij dagenlang de Spaanstalige afdeling. Tijdens zijn zoektocht vond hij een opvallend artikel van ene Artephius uit de twaalfde eeuw met de titel: De kunst van het verlengen van het menselijk leven. Het Spaanse artikel was in het Latijn geschreven, waarin hij was onderlegd. Nieuwsgierig begon hij te lezen.
'Ik, Artephius, heb alle kunsten in 't magische boek van Hermes geleerd. Gedurende mijn lange leven heb ik lieden gezien die de alchemie wilden perfectioneren. Ikzelf wil echter niets opschrijven dat de wetten voor een breder publiek duidelijker maakt, omdat het enkel door God of door een meester geopenbaard kan worden. Het heeft dan ook alleen zin om mijn boek te lezen indien men over een ruime kennis en een vrije geest beschikt. Was eenmaal als anderen: jaloers. Ik leef nu zo'n duizend jaar en uiteindelijk bij de gratie van God alleen.'
Die man is zo oud als Methusalem! wond Michel zich op. Hij moest en zou die twee boeken lezen en onverdroten zocht hij wekenlang in de ontelbare manuscripten, maar hij vond ze niet.
Waarschijnlijk bestaat dat van Hermes niet eens, bedacht hij en hij behielp zich maar met de aanwezige alchemistische lectuur. In een van de werken las hij dat metaal in goud veranderd kon worden en wel met behulp van een mystiek voorwerp, de zogenaamde 'Steen der Wijzen.' Eeuwenlang werd er naar de steen gezocht, maar deze werd nooit gevonden en in de dertiende eeuw gaven de meeste alchemisten er de brui aan. Een ander geschrift vertelde dat alchemie een medische werking kon hebben. Indien men zout, zwavel en kwik in de juiste proporties aan het lichaam toevoegde, zou dat de gezondheid ten goede komen. De Griekse filosofen Thales en Aristoteles geloofden dat aarde, water, lucht en vuur de basiselementen waren waarmee alle materie kon worden opgebouwd. Een andere verhandeling sprak over een vijfde basiselement: het wezenlijke.
Maar nu had hij wel genoeg gelezen. Het was al laat en hij ruimde zijn boeken op.
'Bedankt voor uw hulp en tot morgen, mijnheer Grimbert.' De dag was andermaal voorbij gevlogen en de vermoeide student ging weer naar zijn sobere kamer in de Rue St-Agricol. Na een warme brij gekookt en gegeten te hebben, mediteerde hij zonder resultaat op het boek van Hermes en probeerde toen 'De steen der wijzen' uit, maar viel onverhoeds in slaap. Die nacht werd zijn verlangen beantwoord. De zoekende ziel werd aangeraakt door iets groots en machtigs en een siddering bracht zijn lichaam recht overeind in bed.
'Michel de Nostredame, ik ben degene die je zoekt, Hermes, de zoon van Zeus en Maia, de dochter van Atlas, een van de Titanen.' Vlak voor hem zat een stralend, krachtig, atletisch wezen met een gevleugelde hoed op en in zijn hand hield hij een gouden staf met slangen. Hermes sprak verder.
'Ik ben de leider van de drie werelden, geboren in een grot te Arcadië. Ik ben de snelste der goden en de god der dieven. De Egyptenaren noemen me Toth. De Romeinen noemen me Mercurius. Ik ben Hermes Trismegistus uit Genesis. Ik ben 'De hoop der stenen,' 'De steen der wijzen' en 'Het smaragden tablet'. Mijn stoffelijke broeder, je lot staat vast. Je zal een rol spelen in het kosmisch drama dat zich de komende millennia op aarde zal afspelen. Maar voorlopig zul je, voordat de Maan volwassen is, een andere richting inslaan om je slapende kennis te laten ontwaken door de zwarte dood.' Hermes verzwond even rap als hij gekomen was en liet een enorme leegte achter. Michel kon de krachtige, bovennatuurlijke confrontatie niet aan, hij bezweek en ontwaakte pas laat in de voormiddag. Gebroken stond hij op en waggelend pakte hij zijn schooltas om zich van zijn studietaak te kwijten. Maar het was veel te laat om naar de universiteit toe te gaan en verward ging hij weer op bed zitten.
'Wat voel ik me beroerd,' steunde hij. En met hoofdbrekens reconstrueerde hij de boodschap van Hermes, maar hij kon het niet allemaal vatten. Ondertussen piekerde zijn vader - door hogerhand aangestuurd - in Saint Rémy over de weinig praktische opleiding van zijn zoon. Al was astrologie tegenwoordig een erkende wetenschap, veel kon je er niet mee verrichten. Hij besprak het met Reynière, die in eerste instantie achter Michels keuze bleef staan. Maar Jacques bleef op het slechte toekomstperspectief hameren en uiteindelijk vond ook zij de nadelen zwaarder wegen dan de voordelen. Ze schreven zoonlief een brief, waarin ze hun zorgen uitten en hem een studie medicijnen voorlegden; zijn beide grootvaders waren immers ook arts geweest. Een dag later ontving Michel het schrijven van zijn ouders en las hun voorstel om van studie te veranderen. Hij was aangenaam verrast en dacht aan Hermes, die over een andere richting sprak.
Geneeskunde is dus mijn lotsbestemming, concludeerde hij. De volgende dag benaderde hij zijn leraren met fluwelen handschoenen, omdat hij ze niet in diskrediet wilde brengen. Tijdens het afscheidsgesprek bleek dat ze begrip hadden voor de argumenten van zijn ouders en op goede voet beëindigde hij zijn studie in Avignon.

Na een kort verblijf bij zijn familie vertrok hij naar de volgende universiteit in Montpellier.
'Welkom, mijnheer De Nostredame,' begroette een huisbewaarster hem alleraardigst toen hij binnenkwam. 'Ik zal u meteen naar de collegezaal brengen, want u bent de laatste,' en de zwaarlijvige dame kwam moeizaam van haar krukje af en liep hem voor. Ze begaven zich door de hoofdgang en sloegen aan het einde de hoek om.
'Het college vangt zo aan en zal gegeven worden door doctor Hache,' lichtte ze hem verder in. De dame bracht hem naar de achterste zaal, waar ze hem een plaats wees aan een tafel naast een jongeman met enorm beweeglijke ogen. Professor Hache nam, anders dan de conciërge, niet de moeite om de vijftig nieuwelingen te verwelkomen en begon zonder respijt met de les.
'Duizenden jaren geleden beoogden de eerste dokters patiënten te genezen door een gaatje in hun hoofd te boren,' vertelde hij. François, Michels tafelgenoot, tikte daarop laatdunkend met de wijsvinger op het voorhoofd.
'Exact, daar komt dat gebaar vandaan,' zei Hache, die het zag, 'maar zo getikt was dat niet, want op deze manier wilde men kwade geesten, volgens hen de oorzaak van de ziekte, uit het lichaam laten ontsnappen. Men noemde dit ook wel schedel lichten of trepaneren.' Een leerling uit Toulouse stak zijn hand op.
'Aan het einde van mijn verhaal kunnen er vragen gesteld worden,' gaf de professor aan. 'Later, in de Griekse oudheid, ging een ziek persoon naar een tempel en offerde er dieren aan Aesculapius, de god van de genezing. Nadien dronk de zieke mens geneeskrachtig water, baadde zich erin en volgde een streng dieet.' Weer stak dezelfde student zijn hand op.
'Ik had je toch iets gezegd of niet soms?' zei de leraar.
'Ik probeer alleen een kwade geest uit mijn arm te laten ontsnappen,' verduidelijkte de jongen, die ook geestig dacht te zijn.
'Ga er maar uit!' zei Hache onverwacht streng. De leerling stond beteuterd op en verliet het lokaal.
'Stomme grappen worden hier niet getolereerd,' en de professor vervolgde zijn toespraak. 'In vierhonderd voor Christus legt de Griekse arts Hippocrates de grondslag voor onze wetenschappelijke geneeskunde. Hij zegt dat ziekte niet door tovenarij maar door de natuur veroorzaakt wordt, en alleen door haar weer genezen kan worden.' Zijn pupillen zaten nu strak in het gelid en niemand durfde nog een kik te geven.
'Rond tweehonderd na Christus leert Galenus ons, ook een Griekse arts, dat het lichaam vier vloeistoffen bevat: bloed, slijm, gele en zwarte gal, die in een juiste balans met elkaar dienen te zijn. Tot zover deze inleidende geschiedenis. Er kunnen nu kort vragen gesteld worden.' De studenten aarzelden even.
'Hebben vrouwen evenveel bloed, slijm en gal als mannen?' vroeg iemand.
'Dat weten we niet precies, maar als deze vloeistoffen niet in balans met elkaar zijn, worden zowel mannen als vrouwen ziek,' antwoordde hij.
'Mijn moeder spuit anders flink wat gal,' merkte een Bask op.
'Ze is vast en zeker ziek,' veronderstelde Hache.
'Nou, eigenlijk niet, ze is zo gezond als een vis.'
'Enfin, ik kan op afstand geen diagnose stellen. Gelukkig zijn we momenteel veel verder dan Galanus en maken we wetenschappelijke studies door onder andere menselijke lichamen open te snijden. Dus mocht je moeder in de buurt zijn...' De Bask werd wat bleek rond de neus door het serieus klinkende voorstel van zijn leraar.
'Bedoelt u dat u ook in levende mensen snijdt?' vroeg hij.
'Zeker, maar dat komt zelden voor. We bestuderen voornamelijk lijken en maken er gedetailleerde tekeningen van. Door deze studies hebben we al talloze inzichten verworven en kunnen veel van de hedendaagse ziektes genezen worden.'
'Wat voor methodes zijn er tegenwoordig om ziektes te behandelen?' vroeg Michel nu.
'Bijvoorbeeld met medicijnen, die in drankjes, poeders of tabletten verwerkt zijn,' antwoordde de docent. 'Helaas zijn er veel kwakzalvers, kruidengenezers en heksen die zich voordoen als apotheker. Ook een zeer nuttige methode is het aderlaten, waardoor het zieke bloed uit het lichaam kan ontsnappen, mijn specialiteit.' Het vragenuurtje liep ten einde en er volgde een middagpauze. Daarna gaf Hache ononderbroken les tot zonsondergang. In de avond verlieten Michel en zijn klasgenoten het universiteitsgebouw, na een goedkope maaltijd in de mensa, om naar huis toe te gaan.
'Zin om door de stad te lopen?' riep iemand die hem bij de Notre-Dame-des-Tableskerk inhaalde. Het was François Rabelais, de student met de levendige ogen, die naast hem in de klas zat. Michel vond het een goed idee en ze maakten een wandeling door de stad en raakten al snel bevriend. François bleek een geniale verteller te zijn en had 't hart op de tong. Overal waar ze langsliepen noemde hij alles bij naam en wel op een zo onverbloemde en ongebruikelijke wijze dat velen er rode oortjes van zouden krijgen. De rebel durfde werkelijk over alles te praten: over ketterse zaken, pijnlijke emoties of lichaamsdelen waarover men liever zweeg. En als Michel er naar zijn smaak iets te serieus op inging, gedroeg hij zich ineens als een klein kind of werd verrassend obsceen. François was van zijn kant diep onder de indruk van Michels enorme kennis. De student uit Saint Rémy leek wel een wandelende encyclopedie. De twee vulden elkaar goed aan en spoedig deelden ze elkaars geheimen. In een kroeg vertelde Michel over zijn joodse achtergrond, zijn opleiding door grootvader en de afgebroken studie in Avignon.
'Dan zitten we in hetzelfde schuitje,' zei François.
'Welk schuitje?' vroeg zijn klasgenoot verbaasd.
'Nou, joden en katharen worden als bedreiging voor het katholieke geloof gezien. Jij bent een jood en ik een kathaar.'
'Hoe kun jij nou een kathaar zijn? Katharen waren de laatste gnostici.'
'Mijnheer zal het niet weten,' grinnikte François. 'Wij als ware christenen belijden ons geloof natuurlijk niet meer in het openbaar maar ondergronds. In Montpellier zijn zelfs veel geloofsgenoten te vinden. Mijn vader voert verderop een etenszaakje, waar af en toe bijeenkomsten zijn, in het geheim natuurlijk. Ik zal je een keer meenemen als je wilt.'
'Interessant, ik ben benieuwd wat jullie prediken. Gnostici hadden altijd een zeer gefundeerd weerwoord door hun grondige studie van onder meer de Latijnse bijbel.'
'Zeker, en daarom haten die katholieke leiders ons ook allemaal,' voegde de kathaar toe.
'Is dat de enige reden dat jullie geloof verboden is?'
'Nee, wij zijn individualisten en onze heilige boeken zijn rechtstreeks uit het evangelie vertaald. Het fundament van de Kerk berust daarentegen op macht en hun boodschap is de erfzonde.'
'Ach, pausen, bisschoppen en priesters zetten de Bijbel vaak naar eigen hand, maar in principe zitten we allemaal op één lijn,' vond Michel. Rabelais trok zijn bevindingen in twijfel.
'Wij hebben eigen wetten en geloven niet dat een enkel wezen al het goede en kwade heeft geschapen, zoals de katholieken dat doen. Bovendien zijn we voor individuele vrijheid, gelijkheid van de vrouw en tegen elke vorm van geweld. Zij niet!'
'Ik ging van de oorspronkelijke, Griekse bijbel uit,' verduidelijkte Michel. 'Daarin worden dergelijke standpunten niet weerlegd.'
'Hm, kan zijn, zo geleerd als jij ben ik niet.'

Na de propedeuse aan de medische universiteit gingen de twee kameraden moeiteloos verder naar het volgende jaar. De klas was inmiddels gekrompen tot dertig leerlingen en vandaag zouden ze hun eerste practicum meemaken. Professor Hache stond op zijn verhoging te wachten en wreef zich al van plezier in de handen.
'Mijne heren studenten, we beginnen het tweede jaar altijd met een praktijkvoorbeeld aderlating. Deze zal door mij persoonlijk worden uitgevoerd op een ongeneeslijk ziek verklaard persoon. Wees gerust, er is geen zwarte dood in het spel.'
'Wat is de zwarte dood?' vroeg Michel op scherp.
'Dat is een bijnaam voor de pest, mijn beste, maar onderbreek me niet meer. Verder hoop ik voor u allen dat u straks niet van uw stokje gaat, want meestal is het een bloederig gezicht. Ik ben er gewend aan geraakt.' Zijn medewerkers droegen een ernstig vergeelde vrouw binnen, die op een stoeltje zat vastgebonden; ze was te zwak om overeind te blijven. De patiënt wist ook niet meer recht voor zich uit te kijken en haar ogen dwaalden alle kanten op. Voorts had ze weinig haar over en ze stootte onbeheerste klanken uit. Het was een schrijnend geval en er ontstond rumoer in de zaal.
'Ik begrijp dat u medelijden hebt en dat u mij wellicht wat hardvochtig vindt,' zei de professor, 'maar dit experiment dient de wetenschap en het doel heiligt de middelen. Tevens verzeker ik u dat deze dame enige financiële vergoeding krijgt.' De bullebak schoof tot dicht bij het proefkonijn en pakte de draad weer op.
'Er zijn twee manieren van aderlaten. De eerste is het maken van een snee in een ader,' en met een stokje wees hij een geschikte plek op een onderarm van de zieke. 'De tweede manier is het plaatsen van bloedzuigers.' Hij haalde daarop een aantal glazen potjes uit zijn zakken en toonde diverse exemplaren.
'Ik zal vandaag alleen de eerste voordoen, deze beestjes zijn bovendien verzadigd. Bij de eerste variant dient de patiënt een stok in zijn vuist gekneld te houden. Hierdoor zwellen de aderen en verloopt de aderlating vlotter. Helaas is mevrouw hier te zwak voor en moeten we de koppen dieper zetten,' en intussen haalde hij de kopsnepper uit zijn instrumentenkist.
'Zijn er misschien vrijwilligers om dit samen met mij uit te proberen?' vroeg hij. Niemand durfde ja te zeggen en hij wees daarom iemand aan.
'Mijnheer De Nostredame, wilt u dan zo vriendelijk zijn?' Zijn leerling stond gehoorzaam op en liep naar hem toe.
'Maakt u hier maar een kerf in de lengte,' gebood zijn docent, die het instrument met mesjes aan hem gaf.
'Moet ik niet eerst mijn handen wassen?' vroeg Michel.
'Handen wassen. Waarvoor? Als u 't niet durft, doe ik het zelf wel, hoor.'
'Meester,' viel François hem stoutmoedig in de rede, 'wat mijn studiegenoot bedoelt is dat als de monnik, die van de vadsige soort, het land niet bewerkt, de boer het land niet bewaakt. Als dokter bepreekt of leraart hij de mensen niet, zo de krijgsman geneest de zieken niet. Begrijpt u?' Hache begreep er niets van.
'Eh, vanzelfsprekend,' jokte hij en venijnig maakte hij toen zelf een diepe inkeping in de onderarm. Als verwacht stroomde er weinig bloed uit dat hij handig in een glazen pot opving. Michel liet hem maar betijen en keerde naar zijn plek terug. Na het stelpen van de wond diende de vrouw nog als overzicht van de slagaders, die altijd gemeden moesten worden. Daarna werd ze afgevoerd. Tijdens de afsluiting van het practicum keek de professor voldaan in het rond en vroeg of er bij zijn leerlingen nog speculaties over de toekomstige geneeskunde leefden. Michel stak als eerste zijn hand op.
'Ah, de leergierige maar bange student, zeg het maar,' treiterde Hache.
'Ik zie de mens nog eens lichaamsdelen herbruiken,' opperde zijn leerling.
'Ik dacht dat u serieus was ingesteld.'
'Dat ben ik ook.'
'Blijkbaar niet,' ontkende de leraar.
'Ik probeer het toch echt te zijn,' hield Michel vol.
'Op niet beargumenteerde onzinverhalen zit niemand te wachten.'
'Ik kan het uiteraard niet onderbouwen, meester, maar u vroeg toch om speculaties?'
'Zo is het wel genoeg. Laat uw lariekoek voortaan voor buiten de les,' reageerde de leraar beledigd. Na schooltijd vroeg Michel aan François wat hij nou eigenlijk wilde zeggen met die monnik van de vadsige soort.
'Ach, niks bijzonders, ik wilde alleen het denkvermogen van die griezel uittesten,' zei hij onverschillig.
'Jemig, wat kun jij gemeen zijn, zeg!'
'Jazeker,' schaterde Rabelais zonder blikken of blozen, en op weg naar huis bespraken ze nog het nut van hygiëne.

Op een avond zaten de twee vrienden in het eetzaakje van François' vader, die hun op een portie mosselen trakteerde. De zaak liep onderhand vol geloofsgenoten en er werd innig met elkaar gekwebbeld. Straks zou er een gebed in het zaaltje achter plaatsvinden waaraan de joodse student mocht deelnemen. François verklapte intussen dat hij bezig was met het vertalen van Italiaanse, geneeskundige brieven.
'Ambitieus, hoor,' zei Michel.
'En dat is nog niet alles. Ik ben ook bezig met mijn debuutroman: 'Les Horribles et Espouvantables Faicts et Prouesses du très renommé Pantagruel'.'
'Een indrukwekkende titel. Misschien een beetje te lang,' vond zijn vriend.
'Dan noem ik het gewoon Pantagruel. Maar nu iets heel anders. Ben jij iemand die zichzelf bevredigt?'
'Pardon?'
'Masturbeer jij?' De Nostredame keek schielijk om zich heen of iemand meeluisterde.
'Nu ga je echt te ver, François. Dat gaat je geen donder aan,' zei hij toen.
'Hé, ik wilde je alleen voorbereiden op de mystieke lessen die je zo te horen krijgt.'
'Waar heb je het nou weer over?' vroeg Michel confuus.
'Wel, er wordt zo dadelijk niet alleen gebeden maar ook gnosis of heilige kennis overgebracht en ditmaal gaat het over seksualiteit.' Ze werden onderbroken door gestommel van het gemengde publiek dat zich naar achteren begaf. Het was kennelijk tijd voor de samenkomst en de twee jongemannen volgden naar het besloten zaaltje, waar iedereen op dikke kleden plaatsnam. Na een kort gebed stond een vrijwilliger op om de lezing te houden en haalde een aantal paperassen tevoorschijn.
'Vanavond spreek ik over de Bekers van Hermes,' verkondigde hij.
Nondedju, zei Michel in zichzelf, de zoon van Zeus en Maia, boodschapper van de goden. De man toonde ter verduidelijking een mystieke afbeelding van het menselijk lichaam. In het hoofd waren symbolisch twee overlopende bekers getekend en vanaf het heiligbeen wentelde een paar slangen om de ruggengraat omhoog tot aan twee geopende vleugels op harthoogte.
'Zoals iedereen weet, leren de oude geschriften ons om voorzichtig met seksuele krachten om te gaan. Maar waarom wordt kuis gedrag ons nu al eeuwenlang als het goede voorgehouden? Het antwoord is anders dan de Kerk ons voorspiegelt. Gaat heen en vermenigvuldigt u, predikt deze. Bij de nakomelingen wint men vervolgens makkelijk zieltjes. Belust op macht hebben de kerkelijke leiders het evangelie verduisterd en verdraaid om de werkelijke reden geheim te houden. De oude geschriften spreken namelijk alleen over 'Laat geen zaad verloren gaan.' Oftewel, laat het nimmer verloren gaan, ook niet tijdens de liefdesdaad.' Michel keek François verwonderd aan. Hier doelde die snuiter dus op.
'Het heilige doel van gnosis is verlichting van het individu,' zette de mysticus voort. 'Met andere woorden: het thuiskomen van de ziel in de goddelijke bron. Deze tekening stelt de seksuele transmutatie voor van het Ens Seminis*(het menselijk sperma). Deze delicate kennis wordt alleen gedoceerd aan mystieke inwijdingsscholen, zoals die in Montpellier. De farao's van het oude Egypte werden er onder meer in onderricht. De techniek vereist een uiterste beheersing van de seksuele krachten tijdens het liefdesspel tussen man en vrouw. Vooal die van de man. Door het inhouden van het zaad tijdens de samensmelting van de zielen, kan er een goddelijke vonk ontstaan, die te vergelijken is met een feitelijke ontsteking. In het Latijn 'ignatius,' waar het woord gnosis weer van afgeleid is. De vonk ontstaat door inductie tussen de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en veroorzaakt een bovennatuurlijke kracht, die langs de wervels omhoog trekt. Vandaar de twee wentelende slangen. Via deze banen geraakt de wedergeboren energie tot bovenaan de zogenoemde Mercuriusstaf en opent daar de vleugels van de geest. De energie, of kundalini, kan verder stijgen en wel naar de Bekers van Hermes, maar dat kan alleen als er sprake is van echte liefde. Is die aanwezig, dan worden de bekers geleidelijk gevuld. Als die vol zijn, stromen ze over en vloeit de energie voorlangs omlaag naar het hart. Na zevenmaal herhaling van dit proces is de mens volledig ontwikkeld.' De man stopte de tekening weer weg.
'Dan vraag ik u allen nu op te staan.' De gelovigen kwamen op de been en vingen aan met het reciteren van formulegebeden. François zong met volle overtuiging mee. Nadat er uiteindelijk vijftien geloofsmysteries overwogen waren, werd de dienst afgesloten en schonk men voor iedereen thee in. Aan het eind van de avond evalueerden de twee studenten de stof in het inmiddels verlaten zaaltje.
'Ik dacht dat je vlak voor de dienst weer in obsceniteit was vervallen,' excuseerde Michel zich, 'maar ik ben met mijn neus in de boter gevallen.'
'Ik wist wel dat je het interessant zou vinden,' zei François daarop.
'Dat is het zeker, maar het leven gaat zo wel op een straf lijken.'
'De vruchten kunnen nog tijdens het leven geplukt worden, en als je deze techniek goed toepast, kun je bijzondere vermogens verwerven. De natuur zal naar je luisteren.'
'Kan ik dan met een paard praten?' vroeg de invité frivool.
'Bijvoorbeeld.'
'Meen je dat nou of speel je weer een spelletje?'
'Nee serieus, de Rode Zee ging toch ook voor Mozes open,' gaf Rabelais aan.
'Dan moet iedereen die techniek maar snel toepassen.'
'Beter van niet, bijna niemand is zuiver genoeg en met slechte bedoelingen kun je veel schade berokkenen. Dat zijn de Broeders van de Schaduw. Pas ervoor op!' Michel liet het allemaal even bezinken.
'Komen er dan nog wel kinderen bij de beoefenaars van deze techniek?' vroeg hij toen.
'Die worden nog altijd door de ooievaar gebracht.'
'Daar zijn die stomme grappen en grollen weer,' reageerde Michel met een lang gezicht, en hij maakte aanstalten om weg te gaan.
'Sorry hoor, ik zal je vraag serieus beantwoorden. De gewone stervelingen krijgen nog genoeg baby's om onze populatie in stand te houden. Bovendien worden er bij de ingewijden met regelmaat kinderen geboren, die zeer ontwikkeld zijn.'
'Ik neem aan dat het overstijgen van de lust hieraan ten grondslag ligt,' nam zijn gast aan.
'Inderdaad, eens heeft Eva van de verboden vrucht gegeten en sindsdien is de mens uit het paradijs verstoten. Nu moeten wij bergen werk verzetten om haar misstap recht te zetten.'
'Verboden vrucht?'
'De verboden vrucht staat symbool voor het mannelijke zaad,' verklaarde François, die een laatste kop thee nam
. 'Maar frummel jij nu aan jezelf of niet?' Zijn maat schudde melancholiek het hoofd en liep tureluurs het zaaltje uit. Onverbeterlijk, die Rabelais!

Na enkele jaren hard blokken kreeg Michel toestemming om zich als arts te vestigen. Zijn studie was nog niet afgerond, maar hij wilde beslist nu al de pestslachtoffers op het platteland bijstaan. In het achterhoofd hield hij natuurlijk de gedachte dat de zwarte dood zijn sluimerende inzichten zou ontwaken, aldus de boodschap van Hermes. De negentienjarige arts vertelde François over zijn voornemen, die dat betreurde, maar voor zijn vriend pleitte hij dat hij klaar was voor het echte werk.
'En hoe ga je jezelf noemen?' vroeg François .
'Gewoon, dokter De Nostredame.'
'Je weet toch wel dat wetenschappers hun naam met een Latijnse uitgang verfraaien, hè?'
'Jawel, maar...' aarzelde Michel, bang voor ijdeltuiterij.
'Indruk maken is ook belangrijk, hoor. Wat vind je van Nostradamus?'
'Klinkt goed!' lachte zijn metgezel, die het zich liet welgevallen. Enkele dagen later namen de twee afscheid van elkaar en ze beloofden contact te houden.
Michel keerde naar zijn ouders terug om vanuit Saint Rémy zijn kennis in de omstreken aan te bieden. Die waren maar wat blij met de thuiskomst van hun zoon en vader bood hem spontaan de voormalige zolder van opa aan.
'Moet je dat niet eerst met Julien bespreken,' waarschuwde Reynière haar man.
'Julien studeert alleen boven en Michel gaat geld in het laatje brengen,' zei hij terug.
'Je loopt zowel over de jongen heen,' laakte ze.
'Goed, ik zal vragen wat hij ervan vindt.' Julien, die op zolder rechten studeerde, bleek geen probleem te hebben om plaats te maken voor zijn oudste broer en verkaste met zijn boeken naar zijn vroegere kamertje. De aanwezigheid van zijn geleerde broer kwam hem zelfs goed uit, want die kon hem nu helpen teksten te vertalen. Eind goed al goed. Michel vond het fijn zijn familie terug te zien; het laatste bezoek dateerde alweer van een jaar geleden, en met verruimde geest sloeg hij de familiare ontwikkelingen gade. Zijn broertjes waren inmiddels uit de kluiten gewassen en stonden op het punt de wijde wereld in te trekken. Zo wilde Bertrand timmerman worden. Het meeste houtwerk in huis was van zijn hand. In ieder geval wilde hij beslist geen notaris worden zoals vader, want die had een misvormd hoofd van de vele hoofdarbeid, beweerde hij. Vader had inderdaad een merkwaardig voorhoofd: het was plat, hoog en stak ver vooruit. Opvallend mooi daarentegen waren zijn schone, slanke handen. Voorts was Jacques wat stijfjes en hij overwoog alles tot in de puntjes. Zijn vrouw leefde meer vanuit de intuïtie. Michel zag nu pas hoezeer zijn moeder een aantrekkelijke vrouw was. Ze had een prachtig figuur, mooie warme ogen en lang, glanzend bruin haar, dat meestal opgestoken zat. Jammer dat ze met vreemdelingen iets te goed van vertrouwen was; een paar keer was er in haar bijzijn geld ontvreemd. Vader had wat dat betreft een gezond portie wantrouwen. Zijn ouders vulden elkaar dus prachtig aan. De andere broers, Hector en Antoine, wisten nog niet wat ze gingen doen.
'Ik weet het wel: ik ga matze bakken,' reageerde Reynière luchtig op alle gewichtige toekomstplannen. 'Wil je me helpen, Michel? Dan kun je me in de tussentijd vertellen wat je allemaal in Montpellier hebt meegemaakt,' en de jonge arts ging gewillig mee. In de keuken pakten ze het meel en mengden het met water aan.
'Vertel op,' gelastte ze en haar zoon begon over zijn studietijd te praten.
'Oeps, ik moet de oven in de achtertuin nog heet stoken,' onderbrak ze hem. 'Begin jij maar vast te kneden, ik kom zo.' Onder het roet kwam ze even later terug en Michel vervolgde zijn relaas alsof er niets aan de hand was. Vele studieverhalen later geurde het ongerezen brood door het hele huis. Vader sneed de knapperige matze op de eettafel aan en zo vierden ze de thuiskomst van hun succesvolle zoon.
'Zou jij een zieke kennis van me willen onderzoeken?' vroeg Jacques nadien.
'Dat is toch de taak van de stadschirurgijn,' meende Michel.
'Wel, ik heb niet zo'n vertrouwen in hem. Mijnheer Delblonde gaat namelijk hard achteruit.'
'Ik zal eens poolshoogte nemen,' zegde zijn zoon toe.
'De gemeente Arles zoekt trouwens nog een arts,' herinnerde Reynière zich. 'Daar moet je eens gaan solliciteren.'
'Zal ik doen, moeder. Bedankt voor de tip.' De volgende dag bezocht hij mijnheer Delblonde, die al geruime tijd onder medische behandeling van Villain stond. Deze chirurgijn verzorgde je wonden, sneed gezwellen weg, verrichtte aderlatingen, trok kiezen, maakte geneesmiddelen van kruiden en knipte je haren of schoor je baard. De langdurig zieke Delblonde had de pech om niet voor zijn gratis behandeling in aanmerking te komen. Zijn ziekte duurde maar voort en hij moest het enige familiestuk verkopen - een wortelnoten kast - om de rekeningen te kunnen voldoen. Alleen de straatarmen werden voor niets geholpen en de gemeente dekte deze kosten. Michels vermoeden werd bij binnenkomst bevestigd; Villain was nog van de oude stempel. Delblonde was volledig uitgeput door laxeermiddelen en diverse fontanellen. De patiënt lag in kritieke toestand in bed, met een zus aan zijn zijde. Nostradamus stelde zich voor en de oude man meende hem van vroeger te herkennen. Half ijlend begon hij herinneringen op te halen, maar zijn zus stak daar een stokje voor.
'Laten we alstublieft geen tijd verdoen, dokter,' zei ze en ze vertelde dat haar broer steeds zieker werd nadat de huidsneden waren gaan ontsteken. Villain wilde hiermee het lichaam van een teveel aan humeuren verlossen. Michel onderzocht de patiënt en stelde de diagnose.
'Ik denk dat de oorzaak niet ernstig is, maar de medische behandeling wel. Als u wilt dat uw broer in leven blijft, moeten de huidsneden weer dicht en die purgerende drankjes de deur uit,' drong hij erop aan. De wanhopige zus vond het de hoogste tijd voor verandering en stemde toe. Michel verwijderde direct de ijzeren staafjes uit de tientallen fontanellen en waste de wonden met water schoon.
'Geef uw broer ook dagelijks vers fruit en groente,' adviseerde de esculaap bij vertrek, 'zodra hij is aangesterkt, kom ik nogmaals langs.' Op het stadhuis was men woedend, toen ze van deze 'illegale' praktijk hoorden. Ze gaven de politie opdracht om de charlatan op te pakken, maar die toonde zijn papieren, waaruit bleek dat hij een erkend arts was en dat hij het volste recht had om elke zieke in heel Frankrijk te behandelen. De gemeenteraadsleden maakten nog amok en wierpen hem voor de voeten dat er in Saint Rémy maar voor één chirurgijn plaats was, maar Nostradamus hield zijn poot stijf en ze wisten er niets tegen in te brengen. Binnen een week sterkte mijnheer Delblonde aan en de omstreden geneesheer zegde hem aan vanaf nu korte wandelingen te maken. De patiënt deed wat hem werd opgedragen en maakte sinds maanden weer een ommetje door de stad. Zijn gezondheid ging met sprongen vooruit en alle stadsgenoten vernamen van zijn verrassende genezing. De stadschirurgijn en het bestuur stonden voor schut en Michels naam als arts stond op de kaart. Binnen enkele dagen klopten zieken bij huize De Nostredame aan en de wonderdokter behandelde hen met goed gevolg. Nadat Villain in de loop der tijd enkele grote missers had begaan, werd Michel aangesteld als de nieuwe, wettige arts van Saint Rémy. De beëdiging was nog maar net een feit, toen er zich een massale pestuitbraak in de Camargue voordeed. Het districtsbestuur maakte melding van duizend dodelijke slachtoffers in het gebied en de nieuwbakken chirurgijn stond voor een grote uitdaging te wachten. De pestilentie was zeer besmettelijk en als een familielid deze ziekte onder de leden had, wachtte jou in de regel hetzelfde lot. Binnen twee tot zes dagen kon je dan dood en begraven zijn. Ook honden, katten, kippen en zelfs paarden gingen eraan ten onder. Maar de jonge arts was veerkrachtig en meende resistent te zijn. Gelukkig was Saint Rémy nog niet getroffen door een pestuitbraak. Maar het nabijgelegen dorpje Sainte Doffe wel en het openbare leven was er compleet tot stilstand gekomen. Lijken lagen er op straat te rotten of werden door ontredderde naasten in allerijl in opgeworpen graven gegooid. In de straten hing een ondraaglijke stank van rottend vlees en men verbrandde geurende stukken hout om hem te verdrijven. Veel dorpelingen hadden, om in leven te blijven, hun zieke familieleden het huis uitgejaagd. Anderen waren weer naar elders gevlucht. Michel bezocht in dit geplaagde dorp zijn eerste pestgeval en werd in een lemen hutje naar een doodziek kind gebracht. Het jongetje spoog bloed op, had zwarte plekken, hoge koorts en bulten zo groot als een ei. Om de lucht te verfrissen besprenkelde zijn moeder de vloer met azijn. De stoutmoedige arts onderzocht het kind, maar stond eerlijk gezegd met de handen in het haar. Tegen deze ziekte was nog geen remedie gevonden. Op de universiteit werd aangeraden om in die gevallen een aderlating toe te passen, maar van zulke achterlijke praktijken wilde Michel zich verre houden. Om de familie hoopvol te stemmen hing hij om de nek van het kind maar een stukje duivelsdrek, dat bij exorcisme werd gebruikt. Hij noteerde verder de kenmerken van de uiterst besmettelijke ziekte en vertrok zonder iets wezenlijks te kunnen verrichten. In de navolgende dagen bezocht de arts verschillende pestlijders, die aanvankelijk hun heil in de geestelijke vrede met God zochten. Waar hij ook binnenkwam, altijd was er wel een benepen pastor die de zieke de biecht afnam en hem of haar een plaatsje in het hiernamaals beloofde. Medici kwamen jammer genoeg op de tweede plaats. Onwetendheid is een hoofdzonde, besefte Michel eens te meer. Het vele bijgeloof, de machtsmisbruik en onkunde stimuleerden hem echter wel om de oorzaak van de ziekte met het gezonde verstand te achterhalen en er een oplossing voor te vinden. Hij onderscheidde twee soorten pest: de builen- en de longpest. Na het bestuderen van de ziekteverschijnselen zag hij het belang van hygiëne in, dat in het joodse geloof al eeuwenlang een traditie was. Een interessant voorval in Milaan onderschreef zijn bevindingen. De aartsbisschop had er verordonneerd de eerste drie huizen die door de pest getroffen waren, samen met de bewoners dicht te metselen. Milaan bleef hierdoor gevrijwaard van een verdere uitbraak. Uit dit hardvochtige beleid werd duidelijk dat besmettingen onzichtbaar werden doorgegeven. Zo stelde Nostradamus bij nieuwe gevallen een quarantaine in, tijdens welke de gezonde burgers niet meer in contact mochten komen met de zieken, die nog wel van voedsel en water werden voorzien. Deze manier begon zijn vruchten af te werpen. De onderzoeker kwam tevens op het idee dat de wind de ziekte mee kon voeren en hij deelde daarop maskers uit aan de bevolking van een naburig dorp, dat nog van de pest gevrijwaard was. De inwoners bleef de epidemie bespaard en Michel begon het bestaan van bacteriën te vermoeden. Hij gaf daarom iedereen het advies om als het even kon één keer per week een warm bad te nemen en de handen vóór elke maaltijd te wassen met zeep. Hij stimuleerde ook de tanden regelmatig te poetsen, bijvoorbeeld met uitgekauwd zoethout, de mond te spoelen met honingwater of zure wijn, en nagels, haren, snorren en baarden te knippen en te wassen. Voorts diende men ook zo vaak mogelijk gedragen kledingstukken te verschonen en ze grondig te wassen, bij voorkeur met heet of kokend water. Ondanks het nodige pionierswerk bleef&nbs p;hij evenwel een roepende in de woestijn, totdat paus Clemens VII van de eigenzinnige pestbestrijder uit Saint Rémy vernam en hem in zijn privévertrek in Avignon uitnodigde. De paus vroeg hem hoe hij zich moest beschermen tegen een toekomstige pestuitbraak, waarop Michel hem adviseerde om zich in dat geval in zijn residentie terug te trekken. Toen de epidemie een maand later bij de kerkelijke vorst in de buurt toesloeg, bracht deze verscheidene weken in eenzaamheid door. Door de isolering bleef hij in leven en Nostradamus kreeg faam. De pest raasde intussen door alle landstreken en eiste een verschrikkelijke tol in heel Europa. De gebieden met overbevolking werden het hardst getroffen. Legers met goed getrainde, sterke soldaten vielen na een epidemie in enkele dagen uiteen en lokale oorlogen waren op voorhand verloren. Kwakzalvers probeerden onderhand uit de paniektoestand munt te slaan. De jonge arts werkte dag en nacht in deze donkere tijden en behandelde wel duizend mensen.
Na vier jaar was de pest eindelijk uitgeraasd en keerde hij naar Montpellier terug om zijn studie alsnog te voltooien. François was intussen afgestudeerd en verrassend uit Frankrijk vertrokken. De huisbewaarster vertelde hem dat er strenge maatregelen waren genomen tegen hervormden, humanisten en andersdenkenden en dat er in het land geen ruimte meer was voor wetenschappers met een scherpe tong. François had desondanks prijs weten te schieten, want hij werkte nu in Turijn als arts voor de onderkoning van Piemonte. Michel zette zijn tanden weer in zijn studie, maar stuitte op veel onbegrip bij zijn vroegere leraren voor zijn progressieve ideeën. Zijn theoretische en praktische kennis was daarentegen zo overweldigend dat de leraren hem een jaar later zijn doctorstitel niet konden ontzeggen. De onconventionele arts gaf zelfs nog korte tijd les aan deze universiteit, maar zijn behandelingsmethoden leidden uiteindelijk tot te veel consternatie. De hoofdbestuurder greep in: de luis in de pels werd berispt en verliet daarop de universiteit. Gepokt en gemazeld keerde Michel terug naar zijn vaste stek in Saint Rémy en besloot daar het praktiseren te hervatten.




Hoofdstuk 3



'Oost west, thuis best,' zei Jacques na de zoveelste terugkeer van zijn zoon, maar die reageerde niet op zijn melige opmerking.
'Wat ben je veranderd, jongen, je bent zo zwijgzaam.'
'Ik word ouder, vader,' antwoordde hij beknopt. Michel was zijn ouders volledig ontgroeid maar wilde hem niet kwetsen en ging er verder niet op in. Sinds kort was er ruimte over in huis en de medicus besloot opnieuw de verlaten zolder te betrekken. Julien studeerde nu rechten in Aix-en-Provence en Bertrand woonde met een vrouw in een zelfgetimmerd huis aan de rand van het stadje. Hector en Antoine woonden nog wel thuis en hoopten op nieuwe verhalen van hun wereldse broer, maar deze liep niet bepaald warm om te kleppen. Michel had al zoveel meegemaakt en zijn geest was te zwaar en te krachtig geworden voor tijdverdrijf. Zelfs zo zwaar en zo krachtig dat hij beneveld raakte. De mystieke sluier zorgde voor bescherming van zijn hogere lichamen in ontwikkeling en het maakte hem ongenaakbaar. En als iemand die deken van hem aftrok, kon zijn blik je wel doden. Het geleerde familielid had de rust hard nodig en liet de karakterverandering gelaten over zich heen komen. Vandaag ging de nimmer versagende arts in het nabijgelegen Arles enkele patiënten opzoeken. Na een aangenaam tochtje door het zonnige landschap stopte de koets voor een hof met een geel huis dichtbij het centrum. Nostradamus klopte aan en wachtte, maar er kwam geen reactie. De vensterluiken stonden open en hij wierp een blik naar binnen.
'De dokter,' riep hij articulerend, maar er was nog geen teken van leven. Hij besloot nog eenmaal hard op de voordeur te kloppen eer hij door het venster naar binnen zou klimmen, toen hij plotseling van achteren door een bonkige man met rossig haar werd benaderd. De man, wiens schoenen onder de verf zaten, duwde hem achteloos opzij en stapte het bewuste huis in.
'Ho, wacht even, ik kom hier een patiënt bezoeken,' zei Michel, maar de man zonder linkeroor leek doofstom en gooide lomp de deur voor z'n neus dicht.
Dit heb ik nog nooit meegemaakt! dacht de achterblijver ontluisterd. Ik word hier gewoon als een voetveeg behandeld.
Namokkend liep de doorgaans gerespecteerde arts wat door Arles, dat wellicht tot de mooiste steden van Frankrijk behoorde. Nostradamus had door het akkefietje tijd over en bestelde een koel drankje op het met cafés bezaaide Place du Forum. Vanuit een rieten stoeltje bekeek hij wat er op straat gebeurde en leste tegelijk zijn dorst. De provinciestad stond bekend om haar culturele manifestaties en werd door veel rijke Italianen en Spanjaarden bezocht. De buitenlanders vielen op door hun dure kleding en afwijkende uiterlijk. Het was een vermakelijk schouwspel en het trok veel bekijks. Een poosje later naderde er uit een winkelstraat een Italiaanse jonkvrouw, waar Michel direct van onder de indruk raakte. Hij schatte haar leeftijd begin twintig, een paar jaar jonger dan hijzelf. De Italiaanse had een klein, mooi hoofd, gedragen door een lange nek, schitterende ogen en ze bewoog zich heel elegant. De geneesheer vergaapte zich aan de bekoorlijke dame die van hoge komaf moest zijn en hij wist de ogen niet meer af te wenden. Zo'n mooie vrouw had hij nog nooit gezien en zijn hart werd door cupido geraakt. Gewoonlijk pronkte men niet met schoonheid, maar Italianen wel; de jonkvrouw liep met zeer opvallende kleding rond. Ze droeg een paars fluwelen japon met bolle mouwen en een openstaande, witte kraag. Het Venetiaansachtige gewaad verbreedde zich vanaf haar taille tot aan de grond door middel van hoepels. Tientallen! Voorts was haar zwarte haar als een tooi op het hoofd gebonden en met edelstenen gedecoreerd. Om haar hals hing nog een parelen ketting, zo te zien heel kostbaar. Terwijl de adembenemende dame Michels kant op liep, sleepte ze haar jurk statig over de grond, en hoe langer hij naar haar keek, hoe meer hij van de aarde raakte. Toen de Italiaanse langsliep, die met twee heren en een matrone aan het keuvelen was, keek ze haar bewonderaar plotseling onbevangen aan. Een betovering vond plaats. Door haar onverwachte blik smolt Nostradamus als was en zijn leven leek nu pas te beginnen.
'Mijn hemel,' stamelde hij van slag. En terwijl hij haar bleef aanstaren, trilde hij als een rietje. Hij voelde zich opeens zo klein en kwetsbaar als hij nooit voor mogelijk had gehouden. Na jarenlang alleen patiënten te bezoeken was hij de liefde totaal vergeten, en daar begon zomaar de zon in de krochten van zijn ziel te schijnen. Tijdens de ademtocht dat beiden elkaar aankeken, werd ook zij door een liefdespijl getroffen en blozend wandelde ze met het gezelschap verder. Michels hart stond in vuur en vlam en hij moest en zou deze vrouw het hof maken. De aanbidder sprong op, gooide wat kleingeld op het tafeltje en rende gedrogeerd achter de Italiaanse aan. Op afstand volgde hij het groepje en zocht koortsachtig naar een mogelijkheid om toenadering te zoeken. De jonkvrouw voelde hem achter zich aankomen, maar durfde niet om te kijken en schoot uiteindelijk een pension in. De wankele arts raakte er zowat van in paniek.
Wat moet ik nou doen? vroeg hij zich af. Een dienstmeisje verliet toevallig hetzelfde pension. Hij zag het en riep haar toe: 'Juffrouw, kunt u mij misschien vertellen wanneer dat laatste gezelschap vertrekt, want ik heb nog iets te bespreken.' Het dienstmeisje bekeek zijn nette voorkomen en reageerde als gewenst: 'U bent een bekende van de De Vaudemonts?'
'Min of meer,' verdraaide hij de waarheid. Ze werd loslippig en vertelde hem dat het gezelschap de komende zaterdag weer naar de Lot en Garonne zou vertrekken. Hij wist genoeg, bedankte haar en keerde in de wolken terug naar Saint Rémy. Daar ging hij zich beraden op een ontmoeting met de vrouw van zijn dromen. Tijdens het middageten zat er een verkleurde huisgenoot aan tafel.
'Wat ben jij in een goed humeur,' merkte vader op.
'En zo knap heb ik je nog nooit gezien,' voegde moeder toe, 'je straalt helemaal.' Michel lachte schaapachtig, maar repte er met geen woord over, hij liep niet graag met z'n hart te koop. Maar bij Reynière ging er een lichtje branden.
'Volgens mij weet ik wat er gaande is,' zei ze guitig en toen haar zoon de volgende dag om een spiegel vroeg, wist ze het zeker. Hij moest verliefd zijn!
'Is het een dame waar je zo van uit je doen bent?' vroeg ze.
'Eh ja,' bekende hij.
'Dan zal ik je een paar tips geven. Je mag dan wel geleerd zijn, maar als het om vrouwenzaken gaat, kun je nog altijd beter naar mij luisteren.' Moeder had zijn geheim doorzien en de noeste arts keek haar als een klein kind aan.
'Vrouwen vinden het fijn als je ze een complimentje geeft,' vertelde ze. 'Komt ze uit de buurt?'
'Nee, uit Italië.'
'Zo, het land waar de mode vandaan komt. Dan moeten we jou maar eens verfraaien.' En nog die dag kocht moeder een trendy kostuum en ze paste het hem persoonlijk aan. Hector en Antoine kwamen nieuwsgierig kijken naar wat er met hun broer in de huiskamer gebeurde.
'Moeder is Michel aan het aankleden?' krabden ze zich achter de oren. Reynière pakte het nieuwe, rode wambuis uit en trok het bij zoonlief over het hoog gesloten hemd met pluches aan. Daarover kwam nog een zwarte paltsrok.
'Die wil ik ook!' riep Hector enthousiast, toen hij de dure fluwelen overjas met lange, open, gespleten mouwen zag. Even later kwam vader van zijn werk thuis.
'Michel, ik heb nog post voor je,' meldde hij in verwondering toekijkend.
'Ik kan nu even mijn handen niet gebruiken, pa.'
'Ik berg het wel in de secretaire voor je op,' bood Jacques aan. Zijn vrouw bleef ondertussen voortdurend aan de kledingstukken trekken.
'Je bent tenger en dit maakt je breder,' zei ze nu onder de jas peuterend.
'Ik moet je maar geloven,' antwoordde haar zoon, die stokstijf bleef staan. Weldra hinkte hij van het ene naar het andere been, omdat zijn moeder hem een pofbroek met braguette aan probeerde te trekken. Daarna bracht ze aan zijn voeten witte kniekousen en brede koeiemuilschoenen.
'Die schoenen zijn mooi, zeg,' vond Antoine.
'Zeker,' beaamde zijn uitgedoste broer omlaag kijkend. Tot slot plaatste Reynière nog een bonnet met pluim op zijn hoofd, en het resultaat mocht er zijn.
Zeer gedistingeerd en koket tegelijk, vatte iedereen het samen, en het verliefde familielid paradeerde ermee door de huiskamer.
'Goede genade, je lijkt de koning wel,' zei vader, die nogmaals voor beslommeringen binnenliep.
De volgende dag begaf de arts, die vrij had genomen, zich tevreden met zijn nieuwe pak naar Arles. Daar scharrelde hij een uur rond het pension waar de mooie jonkvrouw voorheen was in gegaan. Hij tuurde herhaaldelijk door alle vensters van het verblijf in de hoop een schim van haar te ontwaren, maar ze was nergens te bekennen. Er was wel een gebochelde die hoogst irritant stierengevechten reclameerde en vlak naast hem ging staan. De minnaar droop af en nam plaats op hetzelfde terras waar hij twee dagen eerder had gezeten. Hij bestelde een borreltje om tot bedaren te komen, toen hij de schoonheid opeens uit het niets en in haar eentje voorbij zag komen. Zijn teleurstelling verdween als sneeuw voor de zon en parmantig haastte hij zich naar haar toe. Hij had zich niet vergist: wat was ze mooi, zo elegant en fijn. Onweerstaanbaar! De Italiaanse raakte overstuur toen ze hem zag aandraven en wist een moment niet hoe ze zich moest houden. Ze kreeg bovendien het schaamrood op de kaken toen ze zijn moderne uitrusting zag, die tot in de puntjes was verzorgd. Dat moest onmiskenbaar voor haar bedoeld zijn, dacht ze beklemd en tegelijk vereerd.
'Mademoiselle De Vaudemont,' ving hij hakkelend aan, 'als arts zijnde moet ik u wijzen op uw te strak ingesnoerde jurk bij de taille. Dat is slecht voor de bloedsomloop.' Wat stom van me, mijmerde hij toen, ik had haar juist een compliment moeten geven, en zenuwachtig corrigeerde hij zich.
'Ik bedoel, het kan uw schoonheid schaden,' maar er kwam geen reactie; de Italiaanse stond met de mond vol tanden. Laat ik me maar vrijelijk uiten, nam hij zich voor.
'Eerlijk gezegd ben ik diep onder de indruk van u en ik moest u weer zien,' zei hij. Toen brak het ijs en glimlachte ze om zijn openhartigheid.
'Praktiseert u hier in Arles?' vroeg ze nog stijfjes maar in accentloos Frans.
'Eh nee, ofschoon, toch ook, maar ik kom uit Saint Rémy, en daar werk ik ook.' De van zijn stuk gebrachte arts stelde zich voor en nodigde haar uit om wat te gaan drinken, waarop ze samen naar het terras liepen waar zijn borreltje van zonet nog stond. Het was een hele kunst om haar hoepelrok tussen de tafeltjes door te manoeuvreren, maar uiteindelijk zaten ze dan.
'U ziet er werkelijk fabuleus uit,' complimenteerde hij "Yolande", 'maar hoe komt u de dag toch door met die schitterende doch loodzware jurk?'
'Ik draag deze jurk alleen als ik door de stad flaneer, zodra ik thuis ben gaat-ie uit,' en nerveus bedankte ze de ober voor het anijsdrankje. Omstanders keken intussen met open mond naar het feeërieke stel. De volkse aandacht ontging de twee echter geheel en de geneesheer bezon zich op gespreksstof.
'Dat is alleen toch niet te doen, zo'n jurk?'
'De matrone helpt mij ermee,' antwoordde ze en er viel een stilte. Michel zocht opnieuw naar woorden, maar wist niets en bestelde nog een borreltje.
'Dat schijnt een zware studie te zijn, om arts te worden,' merkte Yolande nu op.
'Ach, vijf jaar universiteit.'
'Nou, knap hoor, er zijn maar weinigen die dat volbrengen,' loofde ze hem en langzaam begon er iets moois tussen hen te stromen.
'Wat brengt u hier in Arles? Zo te zien bent u op doorreis,' vroeg Michel door. Yolande vertelde hem dat haar familie een kasteel in de Lot en Garonne bezat, waar ze naartoe op weg waren, en dat ze van een adellijk geslacht was.
'Het kasteel is zeker van uw ouders?' nam hij aan. Ze beaamde het en terwijl de rem er vanaf ging, sprak ze over haar vader, graaf Ferry VI de Vaudemont, en haar moeder, koningin van Napels. Haar ouders hadden negen kinderen, waaronder zijzelf. De kou was nu helemaal uit de lucht en er vond chemie tussen hen plaats. De vonken sprongen zelfs van het stel af. Het was ware liefde en de tijd vloog nog nooit zo snel voorbij. In de zevende hemel namen ze ten slotte afscheid van elkaar en ze lieten het publiek verwarmd achter. Yolande beloofde hem onmiddellijk te schrijven, wanneer ze in de Lot was aangekomen. Terug in Saint Rémy vroeg moeder direct aan haar zoon hoe het hem was vergaan.
'Positief,' antwoordde hij koel.
'Positief, is dat alles wat je te vertellen hebt? Je straalt rozengeur en maneschijn uit, man!'
'Nou goed dan,' lachte hij breeduit, 'maar eerst dat apenpak uit,' en toen hij de trap naar de zolder op rende, schreeuwde hij het uit
: 'Dit wordt mijn vrouw!' Een week later ontving hij de eerste brief van zijn geliefde, waarin ze duidelijk haar verlangen naar hem liet blijken. Na meerdere briefwisselingen werd het evident; het vuur bleef branden en de twee waren voor elkaar bestemd. In het laatste schrijven verzocht Yolande hem of hij haar vlug kwam opzoeken in de Lot. Jacques en Reynière waren reuzeblij dat hun oudste zoon eindelijk een vrouw had gevonden en nog wel een van rijke adel.
'Je hebt een flinke vis aan de haak geslagen, Michel. Ik hoop dat wij in je testament mogen komen,' plaagde zijn vader, de notaris.
'Vakidioot,' reageerde zijn zoon ongewoon losjes.
'Je gaat dan zeker in dat mooie kasteel wonen,' veronderstelde moeder.
'Dat is wat kort door de bocht, mama. Eerst eens kijken hoe het bezoek verloopt.' Maar haar intuïtie zei haar dat haar zoon het dorp voorgoed zou verlaten.

Niet lang daarna vertrok Nostradamus naar zijn prinses, die hij ging bevrijden, en in zijn verbeelding maakte hij het allemaal nog mooier.
De liefde maakt werkelijk blind, besefte de geluksvogel, die de lange reis via Toulouse per koets aflegde, en onderweg werd hij bevangen door een verlangen naar Yolande dat - zo meende hij - eeuwig zou kunnen branden. In de Ariège reed het rijtuig langs de historische berg Montségur, waar de laatste katharen eeuwen geleden massaal waren vermoord, en hij moest even aan zijn oude studievriend François Rabelais denken. Het landschap werd nu een stuk groener en je zag hier overal wijngaarden.
Druiven plukken, fantaseerde hij meteen, alleen druiven plukken met haar is al genoeg, en in een roes bekeek hij de bloeiende gaarden tot aan de horizon. Toen het begon te schemeren, tekende het silhouet van slot Puivert zich in de verte af: het was het kasteel van de De Vaudemonts. De burcht stond mooi op de top van een heuvel en Orion leek er symbolisch boven te schitteren. De koetsier had de reis goed uitgestippeld, want om zeven uur kwamen ze aan, en hij parkeerde er zijn voertuig in het halfdonker. De minnaar stapte gespannen uit en keek naar een teken van leven. Abrupt werd het valhek in de massieve poorttoren opgehesen. Michel haalde diep adem en liep met zijn bagage naar de geopende poort. Terwijl hij om zich heen keek, ving hij achter een openstaand raam een glimp van zijn geliefde op. Zenuwachtig liep hij onder het valhek door een immense koer op, waarna het hek tegen indringers achter hem dichtplofte.
'Goedenavond, mijnheer Nostradamus,' groette graaf De Vaudemont hem, die nog even snel zijn hangsnor in de plooi trok. De vader van Yolande bleef afstandelijk op zijn plek en een toegesnelde knecht nam de bagage over.
'U bent dus de jonge arts waarover mijn dochter zo uitbundig gesproken heeft. Hebt u een goede reis gehad?'
'Jazeker seigneur, alleen snakt mijn lichaam naar beweging,' antwoordde Michel, die demonstratief zijn ledematen begon te strekken. Yolande kwam verheugd aanzetten, maar zonder één woord met haar minnaar te kunnen wisselen, werd de laatste op last van haar vader naar zijn slaapvertrek gebracht.
'Vanavond tijdens het diner krijg je ruim de kans hem te spreken,' fluisterde hij zijn dochter toe. Het stootte de kasteelheer tegen de borst haar als een hijgend hert achter de nieuwkomer te zien gaan. Dat kleffe gedoe! En met een afkeurend gezicht verdween de graaf in een van de vertrekken. De gast werd naar de twintig meter hoge donjon gebracht.
'De bovenste etage is uw slaapvertrek,' prevelde de knecht, die een olielamp aanstak en traag de trappen opliep. Duizend treden hoger werd de vermoeide reiziger bij een hemelbed achtergelaten, dat onder toeziend oog van acht sculpturen van muzikanten stond. Na een slaapje besloot Michel zijn directe omgeving te verkennen. In het donker beklom hij een smal, houten trapje naar het dakterras, waar hij een prachtig uitzicht had over de streek. De maan scheen vol op het dorpje Puivert, dat in het dal aan een verstild meer lag. Beneden op het koer trok geroezemoes zijn aandacht. Enige gesoigneerde gasten stonden er op het souper te wachten. Michel liep haastig terug om zich te verkleden en sloot zich nadien bij het groepje aan, dat al werd binnengelaten. In de grote, aangeklede zaal stond een prachtige eettafel met toepasselijke stoelen. Het meubilair behoorde tot de avantgarde. De arts werd door een bediende aan tafel tegenover Yolande geplaatst, maar wel tussen Ferry VI en de koningin van Napels in. Zij zouden deze serieuze kandidaat voor hun dochter wel eens aan de tand gaan voelen. De geliefden keken elkaar vol verwachting aan, maar waren tegelijk wat onzeker over het oordeel van de ouders. Yolande droeg een schitterende turkoois japon en haar haar was ditmaal gekapt in een laag zittende knot. Ingehouden glimlachte ze naar haar vriend, die het subtiel beantwoordde. De eettafel was vorstelijk gedekt. Zo was er een glasservies met gouden rand en ingeschilderd familiewapen. Ook het tafellinnen en couvert waren voorzien van datzelfde wapen. De heraldiek was hier overal terug te vinden. Het personeel schotelde intussen de entrees voor. Buiten de graaf en de gravin waren er vijf zonen, vier dochters, drie aangetrouwde familieleden, enkele kleinkinderen en een handvol gasten. Tijdens de rijkelijke maaltijd konden de tortelduifjes de ogen maar niet van elkaar afhouden en ze begonnen te flirten.
'Er zijn nog andere mensen aan tafel,' zei een schoonzoon vervolgens geïrriteerd. In ieder geval was het klip en klaar: de twee hielden van elkaar.
'U schijnt een goede reputatie in de Provence te hebben opgebouwd,' merkte de graaf op, terwijl zijn hangsnor rakelings langs de soep scheerde.
'Ik doe mijn best om zieken te genezen,' zei de medicus, 'maar ik ben blij dat de laatste pestuitbraak weer is uitgeraasd, want zoveel heb ik daar niet in te brengen.'
'Hier hebben we die verschrikkelijke ziekte gelukkig nog niet meegemaakt,' liet de koningin van Napels van zich horen.
'Maar bent u wel afgestudeerd?' vroeg de graaf opeens.
'Ik heb u dat al eerder verteld, vader,' verdedigde Yolande haar geliefde.
'Ik zal u het getuigschrift na de maaltijd overhandigen, seigneur,' zegde Michel toe.
'Graag, dat interesseert mij zeer. Dan verwacht ik u dadelijk in mijn vertrek, waar ik bovendien een uitstekende cognac heb staan. U begrijpt natuurlijk dat ik slechts het beste voor mijn dochter wil.' Ferry VI bleef argwanend en schaamde zich er niet voor een vragenlijstje door te lopen, dat moest uitmaken of de arts wel geschikt was als schoonzoon. De vragen betroffen willekeurige thema's; telkens wist Nostradamus een onberispelijk antwoord te geven en het wantrouwen begon te slinken. Na het dessert liep de graaf kortstondig met zijn vrouw de zaal uit om na een onderonsje weer terug te keren. Het echtpaar had zo te zien bekonkeld dat de gegadigde goed genoeg voor hun dochter werd bevonden. Michel kon sindsdien geen kwaad meer doen. Nadat Ferry VI zich nog met hem in zijn vertrek had teruggetrokken, kregen de minnaars eindelijk de tijd om samen te zijn en stilletjes maakten de twee een wandeling buiten de poort. Ze bleken elkaar zó goed aan te voelen dat woorden overbodig waren. Achter een kastanjeboom kusten ze elkaar heimelijk en de aanraking was als magie. Na een week op het slot vroeg Michel Yolande ten huwelijk, die dat maar al te graag wilde. Haar berekende vader gaf nog diezelfde dag zijn toestemming; de kandidaat voldeed immers aan alle voorwaarden. Een droom ging in vervulling en Nostradamus kreeg het gevoel de hele wereld aan te kunnen. De van zwaarmoedigheid bevrijde arts bracht zijn ouders op de hoogte van de aanstaande bruiloft op Puivert, maar deze lieten weten de lange reis door ouderdomskwalen niet aan te kunnen. Alleen zijn broer Hector zou van de partij zijn. Hun oudste zoon verzocht verder of ze zijn persoonlijke bezittingen wilden laten overbrengen en beloofde zo snel mogelijk met Yolande naar Saint Rémy te komen.
Dé dag brak aan en talloze prominente lieden waren bijeengeroepen om er een grootse gebeurtenis van te maken. En het wérd een spetterend trouwfeest en toen het bruidspaar eindelijk alleen was, plukten de twee aan elkaar tot sint-juttemis.
'Het is als een sprookje om met jou getrouwd te zijn,' zwijmelde Michel, terwijl ze in zijn hemelbed lagen te zoenen.
'Het ís een sprookje,' zei ze zachtjes terug en ze smolten verder met als sluitstuk de ontlading. De acht sculpturen van muzikanten hadden ze maar omgedraaid. Die keken nu de andere kant op. Na de hemelse huwelijksnacht werden er spijkers met koppen geslagen; ze besloten in Agen te gaan wonen. Het gilde zocht er een gediplomeerd arts en ze hadden Nostradamus de betrekking toegezegd. De invloedrijke stad lag niet ver van Puivert vandaan en zo behielden de echtelieden zelfstandigheid én contact met de familie. Het overgelukkige stel ging op huizenjacht en vond spoedig een geschikte woning aan het stadsplein, dat gesierd werd door een prachtige fontein. Tijdens het inrichten van hun nieuwe huis genoten ze van hun vrijheid, de zomerse dagen maar vooral van elkaar. Op een zwoele nacht dartelden de geliefden naar de fontein en ze dansten er onder de spuitende waterstralen dat het een lieve lust was. Op de bassinrand dropen ze af en bekwamen van de pret.
'Doe je ogen dicht,' verzocht Yolande opeens en ze stopte iets in z'n mond.
'Een kers!' slaakte hij.
'Ik heb nog iets voor je.'
'Een andere vrucht?'
'Ja, ik ben in verwachting,' en in extase zoenden ze verder.

Nostradamus zette naast zijn werk een parfumfabriekje op waar geconcentreerde oliën voor geneeskundig gebruik werden gemaakt. Een tiental werknemers destilleerde er planten en kruiden tot etherische oliën en voor elke kwaal wist hun meester wel een recept te ontwikkelen. Inmiddels begon het getrouwde stel zich aardig in Agen thuis te voelen. Zo was er in de Rue du Soleil een bijzonder boekwinkeltje, waar Michel op een dag ging rondsnuffelen.
'Kunt u het een beetje vinden?' riep de eigenaar, die achterin bezig was.
'Ik kijk alleen wat rond. Ik ben niet naar iets specifieks op zoek,' zei de bezoeker terug. De boekhandelaar met lange baard kwam naar hem toegelopen.
'U bent toch de nieuwe arts?'
'Ja, dat klopt!'
'Ik ben Abigail, fijn weer eens een belezen mens te mogen ontmoeten. Het is in dit stadje wat dat betreft pover gesteld.'
'Ik ken de mensen hier nog niet zo goed,' excuseerde Michel zich.
'Natuurlijk is een boek veel duurder dan een brood en bijna niemand kan zich het veroorloven,' nuanceerde Abigail zijn uitspraak, 'maar als u nog eens medische lectuur zoekt, dan kan ik u zeker van dienst zijn. Ik heb namelijk goede contacten met uitgevers in Londen, die op dit gebied vooruitstrevend zijn.'
'Wellicht later, als ik wat meer tijd heb,' zei de drukbezette arts. 'Ik moet er helaas weer vandoor, tot ziens,' en hij ging naar zijn volgende patiënt toe.
Nadat de geneesheer in de loop der tijd een aardige verzameling medische werken had aangeschaft, werd hun eerste kind geboren. Het was een zoon; Victor, en toen die nog maar amper in de luiers zat, werd zijn moeder opnieuw zwanger. Zijn vader raakte intussen bevriend met de boekhandelaar, die op een dag een mysterieuze bundel voor hem opzij had gelegd. Nostradamus was aangenaam verrast toen hij het werk zag, waar in gotische letters 'kabbala' op stond geschreven. Natuurlijk had hij er vroeger over gehoord, maar hij had zich er nooit in verdiept. Dat hij dit nu plompverloren van Abigail moest krijgen.
'Wat kost het?' vroeg hij naar zijn beurs grijpend.
'Het boek kost u niks,' antwoordde Abigail.
'Nou, hartelijk bedankt dan.'
'U hoeft mij niet te bedanken, maar een stille bewonderaar van u.' De dokter haalde verbaasd zijn schouders op en nam het cadeau mee. Thuis lag Victor als een roos in zijn bedje te slapen en zijn vader kon in alle rust bekomen van de lange werkdag. Yolande schonk haar man jasmijnthee in en bij de haard vermaakten ze zich bij elkaar. Tevreden bekeek de succesvolle arts zijn mooie vrouw, gaf haar een zoen en legde zijn hand op haar dikke buik; het ongeboren kind trappelde al een beetje. Na de thee besloot hij zijn nieuwe boek over de kabbala te gaan lezen en hij haalde het uit de kast. De overdracht van mystieke kennis, was de ondertitel. Terwijl hij zich behaaglijk tegen zijn eega op het vloerkleed vlijde, sloeg hij het boek open en vond toen een kaartje met naam en adres: 'Julius Scaliger, 15 Avenue de Lattre, Agen.' Dat moest ongetwijfeld van zijn stille bewonderaar zijn.
'Yolande, ken jij ene Julius Scaliger?'
'Scaliger, dat is een befaamde stadsgenoot die als schrijver furore maakt. Hij is een alom geprezen humanist,' antwoordde ze.
'Waarom weet ik dat niet?'
'Je kunt niet alles weten, schat, maar hoe kom je bij hem?'
'Hij heeft me dit boek gegeven. Kijk z'n kaartje,' en hij gaf het haar.
'Waarom zou hij dat doen?' vroeg Yolande verbaasd.
'Dat zal hij beter weten dan ik.'
'Wacht eens even, hij is ook arts,' schoot het haar te binnen, 'lijfarts van de bisschop van Agen. Dat moet de link met jou zijn. Wellicht kent hij je van de medische universiteit in Montpellier?'
'Zeker weten van niet,' zei hij. 'Eens kijken wat voor boek hij me heeft geschonken,' en hij begon te lezen.
'Naast de schriftelijke traditie van de Bijbel is er ook de traditie van de kabbala. Deze mystieke kennis is gebaseerd op Genesis en wordt voornamelijk van leraar tot leerling overgebracht. De levensboom is het voorgeschreven model en deze vorm is de sleutel tot het mystieke bijbellezen. We spreken over de vier werelden, die symbool staan voor de verschillende bewustzijnsniveaus in het scheppingsverhaal, en met behulp van meditatie wordt deze kennis verdiept. De kabbala is oorspronkelijk een joodse, mystieke traditie om geheime boodschappen in de Bijbel aan het licht te brengen, maar ze wordt tegenwoordig ook in de scholastiek gebruikt. De kabbala wordt beoefend in scholen der esoterie en door individuele magiërs.'
Michel sloeg het boek dicht en moest pijnlijk constateren dat hij op spiritueel niveau jaren was blijven stilstaan. Dit boek was een geschenk uit de hemel. Na Victor verschoond te hebben, gingen ze knus met z'n drieën naar bed.
'Die Scaliger moet ik maar eens snel opzoeken,' zei Michel, terwijl de oogjes van hun zoon langzaam dichtvielen.
'Neem de tijd, lieverd. Scaliger loopt heus niet weg, die woont hier al jaren,' fluisterde zijn vrouw. Een paar dagen later klopte de dokter op nummer vijftien van de Avenue de Lattre aan. Een forse bediende deed open en beweerde dat zijn meester niet aanwezig was, maar daar kwam een schriel mannetje de trap afgelopen. Het was de lijfarts van de bisschop in eigen persoon.
'Ik heb zo'n last van mijn keel, dokter,' grapte Julius Scaliger, maar Nostradamus begreep de humor niet.
'Ik zal zo eventjes kijken, maar laat ik u eerst bedanken voor dat prachtige boek dat u me heeft gegeven,' zei hij serieus.
'Is al goed. Eerlijk gezegd is het de keuze van Abigail geweest.' En de heren begaven zich naar de salon, waar het vol hing met portretten van wetenschappers en filosofen.
'Indrukwekkend, kent u ze allemaal persoonlijk?' vroeg de bezoeker.
'Niet allemaal, maar het portret dat u nu bekijkt is van Erasmus, met wie ik sinds kort een pennenstrijd voer. Ze noemen hem de grootste denker van Europa, maar ik vind dat er in zijn gedachtegang flink wat hiaten zitten,' en Julius zette zich in een fauteuil neer.
'Ik heb over hem gehoord,' bekende Michel. 'Maar wat is precies de reden van uw verzoek tot contact met mij?' en ondertussen nam hij ook plaats in een stoel.
'Uw naam valt met regelmaat op,' verklaarde zijn gastheer. 'Een arts die zich niets van de kerkelijke autoriteiten aantrekt is zeldzaam. Ik hou wel van recalcitrante wetenschappers en daar ik eveneens medicijnen heb gestudeerd, leek het mij interessant om elkaar te leren kennen.'
'Ik ben vereerd,' antwoordde Michel, die het interieur verder bekeek.
'Wat toevallig dat u juist hier in Agen bent komen wonen,' hernam Julius, 'en dan nog wel met die prachtige adellijke bloem, waarbij mijn hart overslaat.'
'Aha, vandaar uw presentje!'
'Wie weet, alles speelt mee. U bent maar een mazzelaar met zo'n prachtige vrouw.'
'Dat ben ik zeker. En wie is dat?' vroeg Michel, die een portret aanwees.
'Dat is Cardan.'
'Hm, Cardan, als ik mij niet vergis een wiskundige en astroloog.'
'Maar ook een bedrieger,' zei Scaliger schamper. 'In zijn boek De Subtilitate spreekt hij over demonen, maar de passage is letterlijk van mij overgenomen.'
'Plagiaat is geen schone zaak,' reageerde zijn gast. 'En wat voor humanistische werken staan er allemaal op uw naam?'
'Velen, maar mijn belangrijkste werk is toch de samenvatting van de algehele literatuur, die tot ver over onze landsgrenzen is uitgegeven. Tevens word ik met Erasmus gerekend tot de grote denkers van deze eeuw,' pochte hij.
'Van deze eeuw maar liefst?'
'Aan valse bescheidenheid heb ik een grondige hekel,' gaf zijn gastheer aan, en Michel moest om de eigenzinnige humanist glimlachen. De wetenschappers waren aan elkaar gewaagd en spraken nog een tijdje over de medische geschriften van Aristoteles. Het klikte goed tussen hen en ze besloten elkaar vaker op te zoeken. Die maanden groeide de vriendschappelijke band en op een zekere dag liet Julius zijn geheime bibliotheek zien. Geheim, want veel boeken werden door de Kerk als een bedreiging gezien.
'Kijk Michel, het revolutionaire geschrift van Copernicus met 'De zon als het middelpunt van het heelal'.'
'Mystici en astrologen zien de zon juist als een van de sterren,' tekende zijn collega aan. 'Maar ja, een wetenschapper wil natuurlijk bewijzen zien en wat moet deze nou met dromerij?'
'Dromen kunnen zeer nuttig zijn,' antwoordde Julius. 'Schrijf ze eens op, dan zul je merken dat het je persoonlijke ontwikkeling ten goede komt.'

Isabelle werd geboren. Ze straalde als de zon en groeide als kool. Het meisje leek wel op het middelpunt van het heelal en Victor was niet bij haar weg te slaan. Ook de kinderloze dienstmeid deed alsof de wolk van haar was. Terwijl het gezin maar bloeide en bloeide, stond er in de boze buitenwereld iets engs te gebeuren. Agen was tot dusver buiten schot van de pest gebleven, maar het noodlot sloeg alsnog toe. Nadat het eerste geval bekend was gemaakt, lag het openbare leven meteen plat. Als de dood om besmet te raken vermeed iedereen zo veel mogelijk contact. En terecht, want spoedig waren er meer slachtoffers. De progressieve stadsdokter stelde onmiddellijk een quarantaine in voor diverse wijken van de stad, waar honden en katten al lagen te rotten. Nostradamus werkte op volle toeren en haastte zich van de ene naar de andere patiënt. De taaie arts gaf de autoriteiten opdracht de lijken van zowel mens als dier diep tussen lagen kalk te begraven om besmetting te voorkomen. Voorts sommeerde hij de bevolking hun afval te verbranden, zodat er voor ratten en vlooien geen voedsel overbleef. Er hing nadien een permanente brandlucht in de straten. De nog levende pestlijders moesten zich van hem insmeren met een zalf van knoflook en aloë. De geneesheer bleef verder hameren op hygiëne en goed voedsel en de meeste stedelingen schaarden zich achter zijn methode. Sommigen vertrouwden hem echter niet en zochten een boeman voor de malaise. Er braken onlusten uit op het stadsplein, precies waar de familie De Nostredame woonde. De overwerkte arts hoorde het kabaal, liep naar het venster toe en zag tot zijn grote verbazing dat er naast de fontein een brandstapel werd opgericht. In een mum van tijd verzamelde zich er een menigte omheen en er werden twee mannen voorgeleid. De Agenois waren razend op het stel en ze schreeuwden de longen uit het lijf. Michel begreep dat de bewoners voor eigen rechter aan het spelen waren. Het hek was van de dam.
'God allemachtig, ze hebben Abigail,' riep hij eensklaps. Een van de arme drommels was zijn vriend, de boekhandelaar. Er werden allerlei verwensingen naar hem uitgeroepen en de dokter begon te koken van woede. Yolande kwam verontrust naast hem staan.
'Je blijft toch wel hier, hè?' zei ze bang, maar haar echtgenoot luisterde niet en rende witheet de straat op. Zijn verstand vertelde hem net op tijd zijn hoofd koel te houden en beheerst wrong hij zich tussen de menigte door.
'Die rotjoden zijn het kwaad, verbrand ze!' riepen enkelen vol haat. Yolande keek radeloos toe.
Als dit maar goed gaat, dacht ze, stijf van angst. De twee joden werden intussen aan palen vastgebonden en iemand probeerde de brandstapel in vlam te zetten.
'Stop!' krijste Nostradamus. Het boosaardige publiek verstomde door het dwingende bevel en deinsde achteruit voor de arts, die tenslotte met een van de De Vaudemonts getrouwd was. Ongenaakbaar sommeerde hij de laatste raddraaiers opzij te gaan en hij beklom toen bijna duivels de brandstapel. Vastberaden rukte hij de touwen los waarmee de ongelukkigen aan de palen zaten vastgebonden. De redder in nood richtte een kort moment de aandacht op zijn oude vriend. Abigail keek hem vol vertrouwen aan en er begon licht uit zijn ogen te stralen.
Wat overkomt me nu? dacht Michel en even wankelde hij door de intense schoonheid van die ogen.
O jee, geen kwetsbaarheid tonen in het bijzijn van de wolven, en zich hoedend voor een mogelijk kerend tij draaide hij zich resoluut om en sprak het volk stevig toe.
'De pest komt niet door de joden. Zo wel, dan moet dit eerst onomstotelijk bewezen worden. Jullie zijn gewoon opgefokt door woede en angst. Ga daarom nu naar huis om je te bezinnen en verstoor de openbare orde niet meer.' De verhitte massa droop af en het plein liep leeg. Pas toen Michel weer veilig in huis was, was Yolande bevrijd van angst.
'Wil je dat nóóit meer doen!' riep ze nog natrillend.
'Wat moest ik dan, die twee aan dat gespuis overlaten?'
'Je gezin heeft je levend nodig!'
'Ik leef toch nog,' plaagde hij, waarop Yolande hem mokkend met een kussen op het hoofd sloeg. De pest raasde intussen door en de dokter werkte die dagen de klok rond.

Een paar weken later sloeg het noodlot genadeloos toe bij de familie De Nostredame. Yolande en Victor werden ziek. Michel werd er pas laat in de avond mee geconfronteerd, na zijn werk. Lijkbleek constateerde hij dat het de gevreesde ziekte was.
'Het is die verdomde pest!' vloekte hij toen hij alleen in de keuken was, en met zijn vuisten sloeg hij op de muren. Het was een uiterst wrange samenloop: de pestbestrijder op het thuisfront verslagen. Zeer aangedaan bracht hij zijn vrouw het slechte nieuws.
'Al mijn aandacht naar mijn patiënten, maar niet naar jullie,' jammerde hij.
'Michel, voel je niet schuldig en beloof me dat je met Isabelle verder zal leven.'
'Ik weet niet of ik wel zonder jou kan leven!'
'Er zal vast kracht van boven voor je komen, lieveling,' probeerde ze hem te sussen. Hij waste hun opkomende wonden, bereidde het beste voedsel dat hij kon bedenken en hoopte tot de laatste minuut op een wonder, maar het mocht niet baten. Zijn bloem ging hard achteruit en stierf in zijn armen. Hij zag nog hoe de laatste gloed in haar ogen verdween en hoe haar geest het begaf. Een dag later liet ook Victor het leven en terwijl hij zijn zoontje vaarwel kuste, hoorde hij regelmatig zijn dochtertje roepen. Isabelle zat voor de veiligheid in een kamer opgesloten. De onthutste arts vertrouwde zijn gezonde kind een dag aan de meid toe en bracht de stoffelijke overschotten van zijn gezinsleden naar Puivert. Zijn echtgenote wenste namelijk in het familiegraf begraven te worden. De De Vaudemonts zagen met ontsteltenis een wagen met lijkkisten naderen met hun familielid op de bok. Ze begrepen natuurlijk wat er was gebeurd, maar uit angst voor de levensbedreigende ziekte lieten ze de poort dicht.
'We zijn er kapot van,' riep de graaf vanuit een venster, 'maar er zijn hier nog meer mensen van wie ik hou.'
'Ik snap het. Kan iemand me dan helpen met het delven van het graf, veilig en wel op afstand?' vroeg zijn schoonzoon.
'Nee, sterkte,' brak de graaf het gesprek harteloos af en hij sloot daarop de luiken. Verbitterd en alleen begroef de weduwnaar zijn vrouw en kind in het familiegraf, dat net buiten de poort lag. Zijn aangetrouwde familie keek onderhand stiekem vanuit de burcht toe. Terug in Agen ontfermde de geneesheer zich over zijn dochter, die hem dwong om door te gaan met leven. De eerste leugen over hem verspreidde zich door de stad: Yolande door haar eigen vader begraven. Die avond klopte de dienstmeid aan de deur. Een zwaar depressieve Nostradamus deed open en vroeg wat er aan de hand was.
'Dokter, ik kom u waarschuwen. De De Vaudemonts hebben de stedelingen tegen u opgestookt. Ze beschuldigen u ervan uw echtgenote opzettelijk te hebben laten sterven om er met de bruidschat van door te gaan. Ook wordt er geroddeld dat u een jodenvriendje bent. Ik moet u dit vertellen, mijnheer, omdat ik weet dat u een goed mens bent,' en ze rende weg. Michel vergrendelde direct de voordeur, liep piekerend door het huis en nam voorzorgsmaatregelen. Boven in het slaapvertrek keek hij even naar het zorgeloze gezichtje van Isabelle, die rustig lag te slapen. Nu pas kon hij huilen en de wind, die door het open venster waaide, beroerde zijn tranen. Toen werd de stilte verbroken en waren de poppen aan het dansen. Opgehitste stadsgenoten met fakkels riepen kwaadaardige leuzen en verzamelden zich in groten getale voor hun huis.
'Moordenaar,' riepen ze, 'je verdient de doodstraf.' Michel keek met één oog vanachter de gordijnen naar beneden en zag de ziedende menigte aan.
'Laten we hem nu te grazen nemen,' hoorde hij iemand zeggen. Deze keer zou hij het moeten afleggen, wist hij. De afgesloten huisdeur kraakte door een poging van woestelingen hem open te breken en daarna werd er een brandende fakkel langs hem naar binnen gegooid. Vliegensvlug pakte Nostradamus zijn wakker geschrokken dochter, bond haar op zijn rug en gelastte haar stil te zijn. Achter haar bedje rukte hij een lade van een dressoir open, griste er een tas met spullen uit en gooide die om zijn schouder. Toen rende hij met Isabelle de zoldertrap op. De slaapkamergordijnen hadden door de brandende toorts al vlam gevat en niet veel later stond het huis in lichterlaaie. De relschoppers wisten de voordeur uiteindelijk te forceren en zochten op de begane grond naar de magiër van het kwaad, maar door de oplaaiende brand durfden ze niet hoger te gaan. Ondertussen klom vader met zijn kind aan de achterkant van het huis op het dak en sprong, uit het zicht van het schorem, op een volgend dak. Zo wist hij via de belendende huizen het brandende pand achter zich te laten. Gelukkig was het buiten pikdonker en de opstandelingen konden hen niet ontdekken. Maar halverwege gleed Michel door datzelfde gebrek aan licht bijna van het dak af. Moeizaam bereikte hij het laatste huis, waar hij via een balkon en een klimplant naar beneden klauterde.
'Daar is-ie!' riep een gluiperd plotseling, die zijn schim had ontdekt. De raddraaiers, die nog voor het brandende huis stonden te schreeuwen, kregen hem ook in de smiezen en gingen er direct achteraan. De lenige arts sprong op de grond en spurtte weg. Hij wist zijn belagers in de wirwar van steegjes af te schudden en vluchtte met zevenmijlslaarzen de stad uit; ver weg de heuvels en bossen in. Niet lang daarna hield men op het stadsplein een troep speurhonden een sok van de dokter voor en alras vonden ze een spoor. De achtervolging werd ingezet.
'Waarom zijn ze zo boos?' vroeg Isabelle intussen.
'Ze houden niet van ons,' zei vader, die dacht dat ze ontkomen waren.
'We zijn toch lief?'
'Jawel, maar zij denken daar anders over,' en toen nam hij tot zijn afgrijzen een stoet jagers in het dal waar. Met een opgevoerd tempo baande vader zich een weg door het bos. Boven op een heuvel bleek het plateau abrupt te eindigen en een gapende kloof weerhield hem van verder vluchten. Terwijl hij over de rotsrand ijsbeerde, zocht hij naarstig naar een oplossing. Het hondengeblaf werd luider en hij moest snel iets verzinnen.
Dan maar die onbegaanbare, steile wand afdalen, besliste hij. Michel plaatste zijn handen op de richel en zwiepte daarna zijn benen over de rand. Op de tast zocht hij naar ondersteuning voor zijn voeten, terwijl zijn handen grip dreigden te verliezen. Het lukte en met uiterste concentratie nam hij de schier onmogelijk te nemen route omlaag. Isabelle keek intussen angstig vanaf zijn rug het ravijn in. Hun achtervolgers naakten in hoog tempo en bereikten weldra dezelfde afgrond. Daar ontdekten ze Nostradamus, die twintig meter lager het laatste gedeelte van de loodrechte wand aflegde en daarna tussen struiken en bomen wegschoot. De maan verdween achter de wolken en ze wisten hem niet meer met het oog te traceren. De samenzweerders durfden de afdaling niet aan, te meer daar het met de honden niet te doen was. Enkele meelopers, die het gebied op hun duimpje kenden, wezen daarop een aantal nabijgelegen passages aan. De groep splitste zich op en zette de achtervolging weer in. Kilometers verder moest Michel kiezen tussen een op- en een neergaand pad. Door de hoge bomen kon hij niet goed inschatten waarheen beide paden leidden, en op de gok nam hij de weg omlaag. De gekozen route leidde een poosje later tot een begaanbare spleet die twee hoogvlaktes van elkaar scheidde. Een groep achtervolgers, die via een doorgang was omgelopen, had hetzelfde spoor gevonden; de honden waren opnieuw te horen. Michels krachten begonnen te minderen, hij had al een enorme afstand afgelegd en kon dit niet lang meer volhouden. De maan kwam wederom tevoorschijn en verlichtte een opening in de rotsen binnen handbereik. Met de hete adem van de stedelingen in de nek besloot de arts zich maar in de grot te verbergen. Wie weet, met wat geluk. Maar de verschoppelingen werden alweer ontdekt.
'Daar gaan ze!' riep een van hen. Onder het stenen gewelf doorzocht Michel als de wiedeweerga zijn schoudertas. Hij haalde er een kaars uit en stak haar met een vuursteen aan. Verlichting was hier onontbeerlijk, en met de kostbare last op zijn rug schreed hij door de grot, die tot een heus gangenstelsel leidde.
'Verdomme, de vlam gaat uit,' vloekte hij, 'te snel gelopen.' Hij kreeg de kaars weer aan en zette de tocht voort. Achter hem klonk er opeens geschreeuw.
Allemachtig, daar zijn ze al, zit nou niks ons mee? vroeg hij zich af. Hun belagers traden de grot binnen en het geblaf van de honden werd nu angstaanjagend misvormd. De dieren raakten er zelfs wat gedesoriënteerd van en kregen moeite het spoor te volgen. De vijand liet zich echter niet van de wijs brengen en splitste zich weer op. Er was immers maar een beperkt aantal gangen, wist een van hen. In verschillende groepjes vervolgden ze hun weg. Nostradamus hoorde hen naderen en probeerde zo weinig mogelijk geluid te maken. Op een gegeven moment zag hij een tunnel met laag grondwater. Dit was dé kans om zich definitief van de honden te ontdoen. Die zouden het spoor hier volledig kwijt raken. Vader voelde of zijn kleine meid nog goed vast zat en begon toen de gang te doorwaden. Ofschoon pas twee begreep Isabelle heel goed de ernst van de situatie en ze hield zich muisstil. Het waterpeil begon echter zorgwekkend te stijgen en vader vreesde voor erger, terwijl hun stadsgenoten hen maar op de hielen bleven zitten. Ten einde raad vluchtte hij verder. Het grondwater kwam nu al tot zijn middel en zijn dochter rilde van de kou.
Het is voorbij, weeklaagde hij, nog eventjes en dan moet ik Isabelle van mijn rug afhalen. Het water stond haar al tot aan de lippen.
Kan ik me niet beter laten pakken? overwoog hij nog. Misschien laten ze mijn meisje in leven? Maar wie moet het dan groot brengen? Niemand wil een kind van een magiër of een kind wiens familie net aan de pest is gestorven. En zeker niet na die laster van mijn schoonfamilie, en wanhopig waadde hij door. Opeens verdween de grond onder zijn voeten en werd hij gedwongen te zwemmen. Michel deed een schietgebedje, terwijl de uitgedoofde kaars naar de bodem zakte.
Op hoop van zegen, maar geven die rotzakken nou nooit op? En hij zwom een ongewis zwart gat tegemoet en stootte daarbij gemeen z'n hoofd tegen het plafond. Wonder boven wonder haalden ze allebei nog adem en begonnen de wanden langzaam weer te wijken. Er ontstond meer bewegingsvrijheid en met ruime slagen zwom hij verder in het ondergrondse meer.
Niemand die ons volgt? concludeerde hij met een slag om de arm. Toen kreeg hij weer bodem onder de voeten en met moeite stapte hij een spekgladde helling op.
'Ik geloof dat het ons gaat lukken, Isabelle,' fluisterde hij weer hoopvol en geheel doordrenkt raakten ze aan wal, waar hij nog lang zijn oren spitste. Het begon erop te lijken dat de booswichten de achtervolging nu echt waren gestaakt, want er was nog steeds niets te horen. Na even gerust te hebben haalde hij een nieuwe kaars uit de tas en de vochtige lont vatte weldra vlam. Een reusachtige grot met ontelbaar veel holtes en gangetjes lichtte op en Michel maakte voort om er zijn weg te vinden. De kalkstenen aardlaag was hier door eeuwenlange neerslag uitgesleten en verworden tot een labyrint van formaat.
Deze grot is misschien wel miljoenen jaren oud, peinsde hij en prompt ontdekte hij tot zijn verbazing wanden vol fabelachtige tekeningen van levendige dieren.
'We zijn hier niet de eersten, Isabelle,' en hij keek z'n ogen uit. Dravende paarden en strak gespannen herten in zwart, rood en geel leken zó uit de glinsterende muren te springen. De mysterieuze afbeeldingen waren vol actie en beweging. Voorbij een rond gewelf keek een purperkleurig veulen met zwarte manen je indringend aan en een witte koe sprong er speels over het plafond. Wat verder, in een galerij van springende en vallende figuren, was een drachtige merrie te zien, die door een pijl getroffen was. Het deed hem akelig veel aan Yolande denken en hij draaide snel z'n hoofd af.
'Prehistorische tekeningen!' prevelde hij aan het einde van zijn Latijn en hij zocht een plek om de nacht door te brengen.
'Hatsjie!' nieste Isabelle onvoorzien en het geluid echode door de ruimtes.
Als niemand dat maar gehoord heeft, dacht vader geschrokken en hij haalde zijn dochter van zijn rug af en plaatste haar in een holte van de vloer.
Onze kleren moeten vanzelf maar drogen, stelde hij zijn jasje navoelend. Hij deed de kaars uit, waarna ze bekaf in slaap vielen. Spoedig werd Michel weer wakker en hij voelde de stenen ondergrond pijnlijk tegen zijn ribben aandrukken. Isabelle sliep nog.
Helaas, het is geen nachtmerrie geweest, zuchtte hij. Op de tast zocht hij naar de laatste kaars en stak hem aan. Hij zag water langs een rotswand stromen en ving het in een beker op. Zijn kleine meid werd een ogenblik later ook wakker en hij gaf haar wat te drinken. In de tas zat verder nog een brood en gedroogd vlees, waarmee ze hun honger voorlopig konden stillen. Hun kleren waren wat droger geworden en het werd tijd om een uitweg te zoeken. Hij bond zijn kind weer op zijn rug vast en begon de zoektocht naar het licht. Na een uur hadden ze nog geen uitgang gevonden en de laatste kaars werd zorgwekkend klein. Ze bleven maar ronddolen, toen de vlam plotseling naar een kant overhelde. In hoopvolle verwachting liep vader het beetje wind tegemoet en niet veel later ontdekte hij een straaltje zon dat vanuit een gat in het plafond scheen. De blauwe lucht was te zien. Het was een openbaring na die langdurige duisternis.
Maar ik kan me hier nergens aan optrekken, dacht hij ontmoedigd toen hij de stenen wanden bekeek.
'Wacht eens even...' en uit zijn tas haalde hij een mes waarmee hij hand- en voetsteunen wilde uitkerven. De kalkstenen muren waren broos genoeg en het viel goed uit. Toen het karwei geklaard was, hees hij zich voorzichtig met Isabelle om zijn nek aan de uitgehakte gleuven op. Na een bovenmenselijke inspanning bereikte hij het open gat en aan de wand gekleefd stak hij even zijn hand naar buiten. De zon scheen erop.
De ster die alles zichtbaar maakt, dacht hij nederig en na de opening vergroot te hebben, wurmde hij zich eruit en geraakte op een grasvlakte, waar hij eerst als een arend de omgeving verkende. Er was geen mens te zien en hij slaakte een zucht van verlichting.
'Isabelle, we hebben het gered, het leed is geleden,' en hij haalde zijn dochter van zijn rug af. Het meisje stond eindelijk weer op haar eigen voetjes en struinde door het landschap, waar tot in de wijde omtrek geen huis te bekennen was.
'We moeten ons maar wat gaan opfrissen, kleine,' zei vader, die vermoedde dat er tussen de heuvels verderop wel een riviertje zou zijn. Hij plaatste Isabelle losjes op zijn schouders en na een korte wandeling bereikten ze het dal waar een beekje stroomde. Het rivierwater zag er schoon uit en ze namen er een slok van. Ze trokken daarna de schoenen uit en poedelden met blote voeten in het heldere water. Nadat ze ook hun gezicht hadden opgefrist, gaf Michel zijn dochter een stuk brood uit de tas, waarin ook nog een klein vermogen zat. Ruim driehonderd francs, de bruidsschat van de De Vaudemonts.
Daar kunnen wij de komende jaren wel mee vooruit, schatte hij en hij beraadde zich over de te volgen strategie.
Teruggaan naar Agen was geen optie. Eerst de streek te voet verlaten en dan hopelijk per koets naar Saint Rémy. Dat werd het plan. Iets verderop groeiden pruimenbomen en ze liepen ernaartoe. Sommige takken hingen tot vlak boven de grond en de rijpe vruchten lieten zich moeiteloos plukken. Na hun buik rond gegeten te hebben, begonnen ze iets te herstellen van de slopende heksenjacht. Isabelle maakte zelfs al een kreetje om een vlinder die langs haar ogen dwarrelde.
Waarlijk, het leven gaat gewoon door, constateerde vader weemoedig. Misschien maakt zij mijn leven toch nog de moeite waard... Die dag trokken ze over heuvels en door dalen en bij het avondrood ontdekten ze een klein, vervallen, stenen huis, dat in een bosrijke omgeving verscholen lag. Het kot bleek verlaten te zijn en ze kozen er een plek in de luwte. Hier zouden ze de nacht wel veilig kunnen doorbrengen. Houtskoolresten op de vloer verraadden gestookte vuren, die waarschijnlijk van jagers afkomstig waren. Na wat gedroogd vlees en nog een paar pruimen genuttigd te hebben, werd het tijd om te gaan slapen. Vader kroop om zijn dochter heen om haar te beschutten tegen de wind, die vrij door de ruïne waaide. Midden in de nacht werd de wind heviger en hij gierde door de bouwval. Nostradamus werd er wakker van en controleerde direct of zijn kleine meid nog wel naast hem lag om vervolgens weer in slaap te vallen. Pas laat in de ochtend werd hij door een ekster wakker gemaakt, die boven op het dak hard zat te fluiten. Zijn dochter had daarentegen nog geen krimp gegeven.
'Isabelle,' fluisterde hij en hij raakte haar aan.
Waarom is ze zo stil? En met een beklemmend voorgevoel boog hij zich over haar heen.
'God, nee!' schreeuwde hij en met grote afschuw herkende hij de zwarte plekken op het kindergezichtje. Door zijn gegil opende Isabelle haar oogjes en gaf ze aan dat ze zich niet goed voelde. Deze confrontatie met de pest kwam hij niet te boven, er knapte iets in hem en daas hield hij zijn dochter vast. De volgende dag stierf ze en daarmee stierf ook zijn motivatie om in leven te blijven. Buiten zinnen staarde hij voor zich uit en in zijn hoofd begon het te spoken.

'Laat die twee maar bij elkaar, de één kan niet zonder de ander,' gebood de Franse officier. Het onafscheidelijke duo Bruno en Yves versleepte met veel moeite het loodzware kanon op affuit door de modder naar voren toe. Door de overvloedige regen was de stoffige grond in bruine derrie veranderd en hun blauwe uniformen raakten tijdens het werk geheel besmeurd.
'Trek dan toch naar links, oen!' verweet Bruno zijn kompaan.
'Ik dacht dat jij met je gedachtekrachten het klusje wel zou klaren,' zemelde Yves. Uiteindelijk kregen ze het kanon dan op de juiste plek en Bruno begon het kruit aan te stampen, terwijl Yves de kogel in de omhoog staande loop bracht. De truc was om het projectiel vlak voor de vijandelijke troepen op de grond te laten afketsen, dat daarna de linies op manshoogte zou doorboren. De hele artillerie was in stelling gebracht en maarschalk Ney stond klaar om het sein tot de aanval te geven.
'Vuur!' beval hij. De Franse kanonnen bulderden en de brigade van de alliantie leed aanzienlijke verliezen. De artilleristen keken vervolgens toe hoe De Slag bij Waterloo*(1815) verliep, terwijl vier van hun divisies naar de Mont Saint Jean marcheerden. Twee vijandelijke brigades cavalerie reden onverwachts op de lopende Fransen in die zich halsoverkop moesten terugtrekken. Het was nu alle hens aan dek en de kanonnen werden zo snel mogelijk herladen.
'Opschieten Yves, gooi die kogel erin!' De hele voorraad munitie ging er in een mum van tijd doorheen, maar de Engelsen werden wel mooi in de pan gehakt. Toen trompetten de aanval bliezen, galoppeerden de Franse ruiters door de bagger om de alliantie de genadeslag toe te brengen. Maar onvoorzien schoten duizenden Pruisen uit de bossen de anderen te hulp en ze liepen de haantjes volledig onder de voet. Uit lijfsbehoud kropen Bruno en Yves onder hun ijzeren kanon en legden in de chaos hun geweren aan.
'Zaten we nog maar in de Provence,' zei Yves dromerig, terwijl enkele van hun officieren met de sabel in de hand voor hun ogen het loodje legden.
'Bruno kreeg niet de kans om te reageren, want hij werd tegelijkertijd door een vijandelijke kanonskogel getroffen. Zijn armen en benen slingerden door de lucht en alleen zijn hoofd bleef nog naast zijn makker liggen.

Van schrik sprong Nostradamus in de werkelijkheid terug. Na al die gruwelijke droombeelden zag hij het deels ontbonden lichaam van zijn dochter naast hem liggen, met een zwerm vliegen eromheen.
'Ga weg!' krijste hij door het dolle heen en hij zwaaide heftig met zijn armen. De verwilderde vader kwam overeind, tilde het overschot van zijn kind op en begroef het in open veld.
'Rust in vrede, kleine meid,' sprak hij wat tot bedaren gekomen. 'Het heeft zo moeten zijn dat jou slechts een kortstondig leven beschoren was. Ik moet nu gaan en afscheid van je nemen. Het leven gaat door.' Nadat hij er nog een kruisje van takken bij had geplaatst, pakte hij zijn tas en vertrok. Iets verderop draaide hij zich om en keek een laatste keer naar het grafje. De verstoten arts zwierf vervolgens rond.




Hoofdstuk 4



Pau, Nay, Loron, meer vuur dan bloed
Zwemmend in lof vlucht de grote over water
Hij zal de eksters de toegang weigeren
Pampon en Durance houden hen gevangen


Op de voordeur van de herberg, ergens hoog in de Pyreneeën, werd laat in de avond onverwachts gebonsd. De eigenaar deed aarzelend open en schrok van de griezel die pal voor zijn neus stond. De sinistere bezoeker droeg een vieze, zwarte cape met hoed en een verwilderde baard. Zijn oogopslag was duivels en zijn gezicht leek op gelooid leer.
'Eh, we zijn gesloten,' zei de herbergier bang.
'De deur is anders open,' wierp de vreemdeling tegen, die hem een franc gaf en weerbarstig naar binnenliep.
'Ik wil hier een aantal dagen logeren,' hernam de reiziger, bij wie tegenspraak niet mogelijk was.
'Ik geloof dat er nog wel een kamer vrij is,' stamelde de huisbaas, 'maar mag ik vragen hoe u heet?'
'Noem mij maar Discute,' antwoordde hij, waarop de eigenaar hem zijn kamer toonde.
'Ik wil nog wat eten en drinken voordat ik slapen ga,' maakte zijn gast kenbaar, die de herbergier wederom een franc in zijn handen drukte.
Hij is wel scheutig met geld, dacht deze begerig en haastig zette hij een kan bier voor hem op tafel neer en ging toen in de keuken een maaltijd klaarmaken. Na enige tijd schotelde hij de rare kerel een warme prak voor. De opgelaten huisbaas wilde liever naar bed, maar voor de zekerheid bleef hij toch maar aanwezig.
'Mijnheer Discute, hebt u al die prachtige hemel gezien? Zo veel sterren aan het firmament zijn zelfs in deze bergen schaars.'
'Nee, is me ontgaan,' antwoordde zijn gast, die stoïcijns doorat.
'De planeet Mars is te zien,' vervolgde de eigenaar.
'Met het blote oog?'
'Waar anders mee?'
'Een kijkglas!' verklaarde de vreemdeling, die zijn mond afveegde en daarna het bier in een keer opdronk.
'Nooit van gehoord,' stamelde de eigenaar.
'Ik had er ooit één,' beweerde zijn gast, die zijn bord inmiddels leeg had en aanstalten maakte om te gaan slapen.
'Nou, welterusten dan en vergeef me dat ik u de toegang eerder weigerde,' zei de herbergier, die hem eindelijk kon verlaten. De bezoeker betrad zijn kamer en hing zijn cape op een mantelhaak. Daarna begaf hij zich met een zware gang naar het gesloten venster, opende de luiken en bekeek de zeldzaam klare hemel. Mars was inderdaad met het blote oog te zien.
Mensen komen en gaan, maar sterren en planeten blijven altijd bestaan, dacht hij, terwijl hij naar de fonkelende Spica keek. Lang geleden opa, dat we samen naar de hemel hebben gekeken. Michel haalde zijn beurs van de houder af, stopte die veilig onder het hoofdkussen en ging in het muffe bed liggen.
Morgen zal ik wat door de bergen gaan wandelen, bedacht hij. Toen staarde hij door het raam naar buiten. Een poosje later kwam de wassende Maan in beeld en de zwervende arts aanschouwde de planeet van de moederlijke gevoelens, én die van de onzekerheid. De Maan werd alsmaar groter en leek wel aandacht op te eisen en langzaam raakte Michel in trance. Ongemerkt was het nu overal wit om hem heen geworden en waar hij maar keek was er maan. Opeens realiseerde hij zich dat hij niet meer in bed lag, maar dat hij in de ruimte zweefde. Hij draaide zich om en zocht haastig naar de vertrouwde Aarde, maar die was ver van hem verwijderd. Hij raakte in paniek door de enorme leegte om hem heen, waarna hij met een oplawaai in bed terugkeerde. Badend in het angstzweet besefte hij dat dit een uittreding was geweest, maar wel een zeer onaangename. Toch nog maar een tijdje op aarde rondhangen, dacht hij.
Toen hij die volgende ochtend in de ijle atmosfeer naar buiten liep, ontdekte hij tot zijn grote verbazing dat hem de schellen van de ogen waren gevallen. De wereld was op slag open en naakt en de voorheen zo schrale berglucht was nu zwanger van oneindig veel ideeën, waaruit zich de stoffelijke wereld vormde. De ideeën werden op zich weer geboren uit tot stilstand gekomen stof en in beide sferen was de tijd een ruimtelijk verschijnsel geworden. Het was een wonderbaarlijke, wederkerige verwekking. Voorts werden hem legio oorzaken en gevolgen geopenbaard en door de vele impulsen zwalkte hij als een dronkaard over het bergpad. Het leek erop dat zijn causale lichaam werkzaam was geworden.
Voordat de Maan volwassen is, zal je slapende kennis ontwaken, maar eerst zal de zwarte dood je tot inkeer brengen, herinnerde hij zich de woorden van Hermes.
Maar dat betekent dat mijn gezin voor mij is opgeofferd, schoot het door zijn hoofd. Bedoelen ze dat met de naakte waarheid: waarheid die voor een mens niet te verdragen is? En hij kreeg buikpijn van de gruwelijke constatering.
Heeft God dan geen medelijden? jammerde hij. En als mijn gezin alleen maar een pionnetje is geweest, wat ben ik dan? Dan zijn we allemaal slechts marionetten in een groter spel. Het waren snijdende inzichten en even voelde hij een enorme wrok voor de almachtige Schepper.
Maar wie ben ik nou om Hem te haten? kwam hij al snel tot inkeer. Ik ben maar een nietig schakeltje, en hij liet zijn haat weer varen. Zowaar, ik zal mijn rol spelen en het kaf van mijn koren laten scheiden, nam hij zich heilig voor, en vastberaden klom de herboren ziener naar de bergtop. De vluchtige informatiestromen, die continu van aard veranderden, waren overstelpend voor zijn zesde zintuig en hij wist er nog geen grip op te krijgen. Hij liet het maar op zijn beloop, draaide zich op een rotspunt om en bekeek het prachtige landschap, dat zich ten noorden van de stad Pau uitstrekte, maar ving andermaal een flard informatie op: Pau, Nay, Loron, meer vuur dan bloed. Pampon en Durance houden de grootheid gevangen. Het raadsel werd helaas verstoord door nieuwe symbolen en beelden, die hem deden wankelen.
Ik moet gewoon opnieuw leren lopen, stelde hij verwonderd vast.
De dag erop verliet Nostradamus de Pyreneeën en reisde hij af naar de stad Pau om op het gemeentehuis navraag te doen naar de namen Pampon en Durance. Een gemeenteambtenaar ontving hem in zijn werkkamer en de verwaarloosde arts toonde hem voor de zekerheid zijn doctors titel.
'Het spijt me, maar ik kan u met uw zoektocht niet helpen,' zei de ambtenaar. 'Misschien dat deze persoonsnamen de burgemeester iets zeggen. Wacht u daar maar eventjes.' Michel nam plaats in de aankomstzaal, waar iemand bezig was een beeld van klei te maken. Op afstand volgde hij het creatieproces, maar weldra slofte hij naar de uitvoerder toe om een praatje te maken.
'Wat gaat het worden?' vroeg hij.
'De Heilige Maagd Maria,' antwoordde de man zonder passie.
'En waar wordt het in gegoten?'
'In brons.' Michel ging maar weer op het wachtbankje zitten en begon zich met de tijd te ergeren aan de plichtmatige uitvoering van het Mariabeeld. Ten slotte stond hij rusteloos op en liep er nogmaals naartoe.
'Het gaat zo eerder op een duivel dan op de Heilige Maagd Maria lijken,' zeurde hij. De werkman reageerde als een gebeten hond.
'Uw opmerking zal ik moeten rapporteren,' blafte hij, maar het gekrakeel liet Michel koud. De burgemeester kwam eindelijk langs en ontbood de onbekende geleerde in zijn ambtskamer.
'Pampon en Durance,' zei hij diep nadenkend, 'de laatste naar de gelijknamige rivier. Maar ik zal eerst in onze archieven moeten kijken. Komt u volgende week terug, dan weet ik vast meer.' Die week werd de buitenstaander onverhoeds op het stadshuis in zijn kraag gevat, omdat de kerkelijke autoriteiten hem beschuldigden van godslastering. Nostradamus moest terechtstaan. In de rechtszaal gaf hij toe de gehekelde opmerking tegen de arbeider gemaakt te hebben, maar hij verdedigde zich met het feit dat hij alleen wat over zijn onkunde had gezegd, maar niets over Maria zelf.
'Hebt u een getuige?' vroeg de geloofsrechter.
'Nee, helaas niet!'
'Dan is uw pleidooi niet overtuigend. Ik veroordeel u hierbij tot een verblijf van een week in de gevangenis van Nay. En u komt hier nog goed mee weg.' Michel werd geboeid meegenomen. Het huis van bewaring in Nay bleek een nieuw jasje te krijgen en de veroordeelde werd daarom naar het gevang in Loron overgeplaatst.
'Ik heb nog nooit een wetenschapper achter slot en grendel gezet,' zei de cipier aldaar.
'Geef mij het water en brood alvast, voordat ik ontsnap,' reageerde deze laconiek. De bewaarder moest erom lachen.
'Over drie dagen komt Pampon mij aflossen. Ik zal je humor missen.'
'Humor is niet mijn sterkste kant, maar mag ik vragen hoe je heet?' vroeg Michel, nieuwsgierig geworden.
'Durance.'

Na zijn vrijlating kuierde de verstoten geleerde moederziel alleen op een bospad, ergens in de Charente, en overpeinsde de symboliek van de hem almaar toevallende boodschappen van boven.
Als ik de informatie nou eens met de astrologie ga combineren, bedacht hij, dan kan ik de uitkomstdatum van de voorspellingen wellicht op één of twee dagen nauwkeurig bepalen, en hij wilde net bukken om zijn slobbroek op te halen, toen een beuk hem vertelde dat een soortgenoot op het punt stond om te vallen. Op zijn hoede bewoog hij zich stapvoets vooruit, toen er met hard gekraak een kastanjeboom vlak voor hem op het pad smakte.
Dwarsbomen, stelde de zonderling mallotig vast. Na de hindernis genomen te hebben, overwoog hij de uitgekomen voorspelling, bakkeleide over de zuiverheid ervan en toetste haar aan eerdere gevallen.
Profetieën op korte termijn vertonen grovere energieën, ontdekte hij, maar om de vage symboliek ervan te doorgronden, heb ik meer kennis van de actualiteit nodig. Jammer dat ik mijn lucide dromen uit mijn jeugd niet heb bijgehouden. Voortaan zou hij elke voorspelling in een dagboek opschrijven en bij tijd en wijle verbanden leggen.
Na ronddwalingen vernam hij van een handelsreiziger dat het klooster in het kustplaatsje Fécamp in Normandië een aangenaam gastenverblijf had. De monniken waren er zeer barmhartig, bij uitstek geschikt om je er een tijdje terug te trekken. Hij besloot deze aanbevelingen op te volgen en trad tot het klooster toe, dat beneden aan de krijtrotsen lag. Hier heerste de orde van de Benedictijnen, die de regels naleefden van hun geestelijke leidsman uit de vierde eeuw na Christus. Demonstratief gooide Nostradamus er zijn plunjezak op de grond en monnik Mabillon liep op hem af en vroeg of hij hem van dienst kon zijn.
'Ik zou hier graag een tijdje willen verblijven,' gaf de bezoeker aan, terwijl een schare broeders in zwarte pijen uiterst langzaam achter hem langsliep.
'Is goed mogelijk. We verwachten wel dat onze gasten zich strikt aan de regels houden. Oftewel: samen bidden, eten en werken.'
'Dat komt goed uit, want ik ben hard aan regelmaat toe,' reageerde Michel losjes.
'Denk er niet te makkelijk over,' merkte de monnik aan. 'Zo dient men pittige werkzaamheden te verrichten, vanaf zeven uur in de morgen tot half acht in de avond. Daarna moet iedereen nog een lezingdienst bijwonen. Voorts wordt er op alle even uren een kort gebed gehouden. Dit alles zeven dagen per week. O ja, het ontbijt is om zes uur.'
'Prima!'
'Er zijn wel enkele dagdelen, die u zelf mag invullen.' voegde de monnik toe. Benoit Mabillon wees hem vervolgens een kamer toe, waarna ze samen nog de mis van twaalf uur zongen. Laat in de avond was er een recreatief uurtje en Michel leerde de andere kant van Mabillon kennen. Benoit ontpopte zich daar tot een leuke monnik met rebelse trekjes.
'Onze leider Benedictus was wars van wereldse rijkdom en verleidingen,' parlevinkte hij. 'Wij natuurlijk ook, maar je moet toch eens mijn kruidenbrouwsel proeven, waaraan een flinke portie alcohol is toegevoegd.'
'Ben benieuwd...' Toen ze even later in zijn vertrek kwamen, schonk de vrolijke Benedictijn hem het zelfgemaakte drankje in.
'Dat is niet mis,' vond zijn gast, die het achterover sloeg.
'Dat dacht ik ook. Ik heb er zevenentwintig zeldzame planten en kruiden uit heel de wereld in verwerkt,' zei Benoit trots.
'Het is een rijk aftreksel en ik zou graag van je willen leren. Wellicht kan ik later je kruidenkennis ter bestrijding van ziektes gebruiken.'
'Geen probleem, morgen na het vespers mag je een kijkje in mijn keuken nemen. Wij bidden voor de hele wereld en niet alleen voor onszelf. Zo ook dient onze kennis gedeeld te worden.'
Stilaan leerde Benoit zijn vriend kruiden te herkennen en te verwerken en die hielp hem op zijn beurt met het doorgronden van oude schrijfwijzen.
'Kijk, hier is nog een geschrift over astrologie, jouw terrein,' zei Benoit, toen ze samen zijn boekenverzameling doornamen. Het contact met de warmhartige monnik was op het juiste moment gekomen. Na een erbarmelijke periode knapte de arts eindelijk wat op. Tot na de winter zou hij zich aan de strakke kloosterregels houden, nam hij zich voor. Tijdens een vrij middaguurtje zat Michel hoog op de kliffen naar de horizon van de Atlantische oceaan te staren. De Engelse kust was niet ver weg.
Daar ergens moet die fascinerende stad Londen liggen, wist hij. Maar je zag niet meer dan golven, die gestaag naar het Nauw van Calais dreven. Krijsende meeuwen trokken zijn aandacht. Ze vlogen achter vissersboten aan, die hun netten hadden binnengehaald. Plots waaide de toeschouwer vanuit Engeland een voorspelling aan. Een trieste gebeurtenis zat er op het eiland aan te komen. Maar wat? Dat wist hij nog niet. In het geleende geschrift van Benoit liep hij de astrologische tabellen erop na.
De huidige stand van de sterren en planeten zal zich pas in 1666 herhalen, calculeerde hij, terwijl de wind de bladzijden liet wapperen. Met de pen in de hand bespiegelde hij nogmaals de komende maar onduidelijke ramp.
Ik zal toch eens de juiste meetinstrumenten moeten aanschaffen, want de tijdsbepalingen zijn zo wel erg aan de ruime kant.
Vervolgens schreef hij de begrippen en berekeningen er in code bij.
Als dit zonder verdoezeling in handen van die vermaledijde geloofsrechters valt, ben ik het haasje. Ik heb mijn les al geleerd.
Die avond ging hij lekker uitgewaaid naar bed. Ruimschoots voor aanvang van de lauden werd hij ruw uit zijn slaap verstoord. Althans, dat dacht hij.
'Brand!' schreeuwde er iemand en dikke rookwolken trokken door zijn kamer. Michel viel van schrik uit bed, maakte toen dat hij wegkwam en rende de trappen af. De benedenverdieping bleek in de fik te staan en het oogde onmogelijk de brand te blussen.
'Isabelle, waar ben je?' riep hij verward, maar langzaam drong het tot hem door dat zijn dochter niet meer in leven was. Op de begane grond was door de rookwalmen heen een gebarsten, stenen oven te zien. Het was er witheet. Voorts lagen er overal kapot gevallen zakken meel.
Dit is geen klooster, maar een bakkerij, realiseerde hij zich. Ik droom! Grote vlammen sloegen pardoes zijn kant op en onderbraken zijn heldere gedachtegang. Terwijl hij wegstoof, doorzag hij zijn automatische gedrag, en hij vroeg zich af of je droomlichaam wel echt kon verbranden. Stoutmoedig keerde hij terug en stak zijn hand in het vuur.
'Auw!' schreeuwde hij van de pijn en hij vluchtte weer naar buiten.
'Toch moet dit een droom zijn,' hield hij vol. De enorme vlammenzee sloeg intussen naar de andere panden over en Nostradamus bekeek het op veilige afstand. Hij was benieuwd in welke stad hij was terechtgekomen. Tegenover de bakkerij was een imposante brug die hij van prenten meende te herkennen. Het was de Tower Bridge in Londen.
'Sta daar niet te nietsnutten, maar help!' riep een Engelsman opeens.
Ik versta hem gewoon, dacht Michel verrast. Allicht, in dromen wordt de taal van het hart gesproken. Maar de Franse toeschouwer peinsde er niet over om te gaan helpen. Hij was een tijdreiziger, geen Londenaar. Het vuur verspreidde zich razendsnel via volgepakte houten huizen naar de waterkant, waar licht ontvlambare spullen lagen opgeslagen. Brandweermannen snelden inmiddels toe, maar een vroege vernietiging van het waterwiel bij de beroemde brug sneed de watertoevoer af. De brand kon niet meer worden geblust. Een niet aflatende wind blies het vuur dieper en dieper de stad in en de rivieroever met zijn vele wijken werd helemaal verzwolgen. De dromer van het continent waarde de vuurzee achterna tot aan het centrum waar de chique buurten werden bedreigd. Brandweerlieden begonnen er - bij gebrek aan bluswater - aangrenzende huizen te slopen, opdat het vuur niet verder kon overslaan. Uiteindelijk stond meer dan de helft van de stad in de hens en ook de schitterende kathedraal van Saint Paul moest eraan geloven. Toen ging de wind liggen en doofde de grootste brand sinds mensenheugenis langzaam uit. Het oude centrum van Londen*(1666, de Grote Brand van Londen) was in rook opgegaan.

Een jaar later in Straatsburg. Het regende met bakken tegelijk en de nog altijd zwervende Nostradamus schoot een etablissement binnen waar volksliederen werden gespeeld. Werkmannen zwaaiden er op de muziek met kannen bier en zongen uit volle borst: 'dronken, dol en dwaas, beet ik in mijn bier, ik dronk een vat met Klaas, ik dronk een fust met Peer.' De sombere weduwnaar wist een opkomende glimlach niet te onderdrukken bij het zien van zo veel blijmoedige doch aangeschoten gezichten. De muzikanten speelden op verschillende instrumenten. Zo was er een portatief, een dwarsfluit en een sackbut te horen. Bij een volgend strijdlied werd er weer gebruik gemaakt van een tamboerijn.
'Amis, buvons,' bralde er iemand. Michel schoof aan een tafel waar flink geschranst werd en bestelde voor de saamhorigheid een grote pint. Een nieuw nummer werd aangekondigd: 'De Dorstige Klanken.' Na een uurtje veranderde de muziek van stemming. Een vedel bracht het publiek geleidelijk in vervoering en de klanken werden zwoel. Daarop kwamen vrouwen van lichte zeden ten tonele en ze begonnen de mannelijke gasten te verleiden. Die keken allen verlekkerd toe, hoewel Michel er navenant flegmatisch bij zat. Dit interesseerde hem amper. Aan de andere kant van het café zag hij een gedistingeerde man, die hij meende te herkennen. De grijsaard met baret was in gesprek met zijn gezel, een jonge edelman. Helaas waren hun gezichten door het spaarzame licht niet goed te zien en benieuwd ging hij eropaf. Dichterbij gekomen weifelde hij nog steeds wie het was, totdat de grijsaard hem pardoes aankeek. Toen wist hij het ineens.
'Wilt u iets van mij?' vroeg de man. Onder uit zijn baret staken mooi gekamde krullen haar.
'Volgens mij bent u Erasmus!' antwoordde Michel. De Hollandse geleerde was aangenaam verrast.
'Wat leuk om herkend te worden. En wie bent u?'
'Ik ben dokter Nostradamus.' Wat grappig, de grote denker heeft een piepstem, dacht hij gelijktijdig. Erasmus keek hem bedachtzaam aan, maar liep zonder resultaat zijn geheugen na.
'Dit is markies De Florenville,' stelde hij zijn metgezel voor.
'Kom er toch bij zitten,' zei de markies daarop. Michel bedankte vriendelijk en nam plaats.
'Aha, nu weet ik het,' riep Erasmus. 'Volgens mij heb ik tijdens een van mijn reizen in Italië van u vernomen. Bent u niet die arts die de vorige paus het leven heeft gered, door hem te adviseren zich bij een pestuitbraak in zijn huis op te sluiten?'
'Ja, dat ben ik. En ik heb uw portret bij Julius Scaliger mogen bewonderen.'
'Oh, Scaliger,' verzuchtte Erasmus. 'Ik moet zijn brief nog eens beantwoorden.' Het contact tussen beide geleerden kwam net op gang, toen twee dames van plezier bij hun tafeltje kwamen. Hun oog viel op de stuurse Nostradamus en ze probeerden hem te versieren. De losse vrouwen namen brutaal op zijn knieën plaats en streelden hem door zijn baard. Het publiek vergaapte zich aan het opvallende treffen. Ook Michels tafelgenoten waren benieuwd hoe deze zou reageren.
'U schijnt aantrekkelijk te zijn,' grapte De Florenville, maar de voormalige pestbestrijder keek straf voor zich uit. De vrouwen gaven hem nu kusjes op het voorhoofd en duwden provocerend hun borsten in zijn gelaat. Alleen de vedel was nog te horen en iedereen zat op het puntje van zijn stoel. De geoefende asceet was echter niet van plan zich aan de lusten des vlezes over te geven en fluisterde hun iets in het oor. Ze liepen daarna gillend weg. Iedereen was sprakeloos en er volgde een pijnlijke stilte in de eerder zo gezellige zaak. De uitbater reageerde adequaat. Hij gaf de muzikanten opdracht er stevig tegenaan te gaan en de sfeer herstelde zich.
'Wat hebt u de dames in hemelsnaam toegefluisterd?' vroegen Erasmus en De Florenville reuzebenieuwd.
'Dat ze binnen een week aan een beroepsziekte zullen sterven,' antwoordde hun tafelgenoot droog. Erasmus proestte het uit.
'Niets is zo pikant als zotte dingen met zo'n ernstig gezicht te behandelen dat niemand opmerkt dat het maar een grap is.'
'Het was geen grap,' meende Michel. De markies reageerde geschokt en vond zijn opmerking zeer onkies.
'Als arts kunt u toch niet zomaar iets uitkramen. Wat u zojuist gezegd hebt is geen diagnose, maar zijn verwensingen.'
'Het zijn geen verwensingen, maar voorspellingen die zullen uitkomen. Ik spreek slechts de waarheid,' reageerde de ziener.
'Voorwaar, de christelijke leer veroordeelt zulke praktijken,' hoonde De Florenville.
'Dan wijs ik u op de volgende passages uit de Bijbel, mijnheer de markies! In Joël staat dat God belooft dat mensen de gave van profetie en visioenen ontvangen. In Amos staat dat God zijn besluiten openbaart aan de profeten. In Deuteronomium staat dat God alle vormen van occulte praktijken veroordeelt, met uitzondering van de astrologie. In de Hebreeën staat dat alles naakt en open is. Wilt u dat ik nog doorga, mijnheer de markies?' De verwaande kwast droop af.
'Al sinds mijn jeugd worden mij visoenen geopenbaard. Tevens heb ik astrologie gestudeerd,' benadrukte Michel. De markies hoopte op kritische geluiden van zijn geleerde vriend Erasmus, na zulke opschepperij, maar deze bleef onaangedaan.
'Ik kan hier niks over zeggen,' deelde deze hun mee. 'Het voorspellen van de toekomst is mij niet gegeven en ik mag alleen uitgaan van eigen waarneming.' De Florenville keek zuur voor zich uit.
'Eindelijk eens iemand die ruim denkt,' mompelde de arts.
'Vrouwen hebben een zwak voor de geestelijke stand,' hernam Erasmus, 'omdat ze bij ontwikkelde mensen meestal een gewillig oor vinden en hun hart kunnen luchten over hun echtgenoten.'
'Nou, ik ga de vrouwtjes niet naar de mond praten, hoor,' gispte Michel, 'al dat geroddel!'
'De dames hebben zich op u verkeken. U bent een uitzondering op de regel, maar de duivel is de kwaadste niet. Waar zijn de dames eigenlijk?' vroeg Erasmus. De afgetaaide deernen vermaakten zich alweer, maar kwamen niet meer in de buurt van het gewraakte tafeltje.
'De dwazen zijn gelukkiger dan de wijzen,' merkte de humanist nog op, 'want hun geluk kost nauwelijks iets. Een simpel, vooropgezette mening is al voldoende en zij delen hun geluk met ontelbare anderen.' Het gesprek veranderde weldra van onderwerp. De Rotterdamse denker bleek zeventig jaar oud te zijn, een ongekend hoge leeftijd, omdat het gemiddelde rond de vijfendertig lag. Verder vertelde hij op doorreis naar Bazel te zijn.
'U bent dus slechts in Straatsburg om te verpozen?' veronderstelde Michel.
'Ten dele,' antwoordde Erasmus. 'Ik word hier morgen op het stadshuis geëerd voor mijn gehele humanistische oeuvre. Tevens ken ik mijnheer De Florenville van de kring rond de humanistische geleerde Jacob Wimpfeling, met wie ik menige discussie heb gevoerd.'
'Door Wimpfeling is Straatsburg een belangrijk centrum van de boekenkunst geworden,' informeerde De Florenville, die alweer bijdraaide.
'Zeker, en zo hebben wij elkaar ook leren kennen,' beaamde Erasmus. 'Sindsdien houden we contact met elkaar en is mijnheer De Florenville me ter wille wanneer ik deze stad bezoek.' De drie tafelgenoten converseerden tot laat in de avond door. Ten slotte wees de eigenaar van de zaak zijn gasten op de naderende sluitingstijd en de drie mannen dronken een laatste slok bier. Eenmaal buiten, onder een droge hemel, namen ze afscheid van elkaar. De stokoude Hollander gaf aan dat hij de helderziende arts graag nog eens zou willen ontmoeten.
'Die kans is erg klein,' zei Michel, die voorzag dat Erasmus nog deze zomer zou sterven. Die begreep de hint en werd met zijn neus op zijn eigen vergankelijkheid gedrukt, waarna ze elkaar een warme handdruk gaven. Verrassend nodigde De Florenville zijn nieuwe kennis uit om een tijdje op zijn kasteel te verblijven. Die had geen enkele verplichting tot wie dan ook en ging op de uitnodiging in. Hij was per slot van rekening op aarde om wat mee te maken.

Een week later ging Nostradamus deftig per koets naar het Château De Florenville in de Lorraine, een streek dicht bij Straatsburg. Pas na lang gezocht te hebben vond de voerman het. Het kasteel lag verscholen in een donker bos veraf. Bij de ingang van het uitgestrekte landgoed bevond zich een portierswoning, waar hij zich meldde. De portier opende zonder vragen het hoge hek en liet de koets met de verwachte geleerde het voorplein oprijden. Even later kwam het kasteel tussen de bomen tevoorschijn. Het bevond zich op een eiland, dat omringd werd door grachten. De koets stak een ophaalbrug over en kwam voor het bordes tot stilstand. De Florenville kwam direct aangelopen.
'Ah, dokter Nostradamus, fijn dat u er bent,' wendde hij voor. Het zat de markies nog duidelijk dwars dat hij door hem in het bijzijn van Erasmus was gekleineerd.
'Zullen we eerst een wandelingetje door de slottuin maken?' stelde hij voor. Zijn gast wilde de benen wel even strekken en stemde ermee in. De Florenville deed onderhand of alles koek en ei was en nam hem mee naar een doolhof, dat uit beukhagen was opgetrokken.
'U woont schitterend,' zei Michel. Terwijl de markies hem bedankte, werd hij overvallen door een snood plan en zijn geest zwierf met de wind mee.
Ik zal zijn vermeende helderziendheid eens op de korrel nemen, dacht hij listig. Ik zal hem ontmaskeren in aanwezigheid van al mijn gasten. De mannen liepen door het doolhof heen, waar in het midden een beeldje van Marco Polo stond opgesteld, dat tegelijk als eindpunt fungeerde. Daarna begaven ze zich via een draaihekje naar de boomgaard, waar verschillende fruitbomen groeiden. De Florenville liet hem vervolgens de moestuin met allerlei uitheemse planten zien. Daarnaast stonden er hokken, en in een ervan zaten twee biggen. Een zwarte en een witte.
'Doctor Nostradamus,' sprak de gastheer opeens gewichtig, 'u bent naar eigen zeggen helderziend. Kunt u dan voorspellen welke van deze twee varkens er vanavond opgediend zal worden? U hebt mijn woord dat ik de kok hier niets over zal zeggen.' Het riekte naar bedrog, maar Michel antwoordde zonder aarzeling: 'We krijgen vanavond bij het diner het zwarte zwijn te eten, omdat een wolf het witte zal verslinden.' Terug bij het kasteel liep De Florenville linearecta naar de keuken en verbrak meteen zijn woord; hij beval de kok het witte zwijn voor het diner te slachten. Die slachtte het gewenste varken en stak het op een spit. Terwijl hij in de keuken bezig was, zocht en riep hij naar het koksmaatje.
'Grenouille, wil jij wat kruiden uit de moestuin halen?' Maar Grenouille was niet te vinden en derhalve liep hij naar buiten om de kruiden zelf te plukken. Op dat moment sloop een oplettende wolf door de openstaande keukendeur en nam het witte zwijn te grazen. De kok was bij terugkeer geheel van streek en besloot zijn meester er maar niets van te zeggen. Hij pakte daarop de zwarte big, slachtte het en wist het op tijd te bereiden. Intussen maakten de prominente gasten in de salon een praatje met elkaar.
'Hebt u al wat van Wimpfeling gelezen?' vroeg een adelborst.
'Nee, ik heb me voornamelijk beziggehouden met wetenschappelijke verhandelingen,' antwoordde Michel.
'Moet u toch eens doen...'
'Wel, ik neem uw advies ter harte,' reageerde hij beleefd. De markies heette ondertussen zijn gasten welkom en verzocht hun aan tafel plaats te nemen. Tijdens het diner werd er over van alles gesproken, totdat de kasteelheer voor het hoofdgerecht om ieders aandacht vroeg en het woord nam.
'Voor de nodige diepgang op deze mooie avond wil ik mijn vriend Erasmus citeren: "Het ware geluk bestaat slechts in de illusies die men zich daarover maakt." Hoewel ik zijn spreuk op waarde inschat, wil ik er een amusante kanttekening bij plaatsen. Laten wij vanavond de dromen maar over aan de dwazen, want zo dadelijk volgt er een heerlijke spijs om bij te watertanden. Deze zal het ware geluk zeker benaderen. Nu ik het toch over dromen heb, wil ik u er graag op attenderen dat er een profeet onder u aanwezig is.' De gasten keken elkaar verwonderd aan wie hij bedoelde. Michel zat op z'n gemak aan tafel en wist allang dat De Florenville hem een poets wilde bakken.
'Het is de heer Nostradamus,' maakte deze bekend. De edellieden stonden op scherp door zijn kritische toon en keken de arts bedenkelijk aan.
'En vanmiddag heeft mijn gast een voorspelling over het hoofdgerecht gedaan. Nou geloof ik persoonlijk niet in zulke poespas, maar we zullen zien of hij gelijk heeft. Alsnog de hamvraag, mijnheer Nostradamus, zal er een wit of een zwart zwijn op tafel komen?'
'Het zwarte zwijn zal op tafel komen,' bleef deze bij zijn standpunt. De markies gaf daarop de kok een teken om de schotel met stoop op tafel te zetten, en op het moment suprême haalde hij het deksel ervan af. Tot zijn ontzetting bleek het zwarte zwijn het geroosterde varken te zijn.
'Is dit niet een zwart geblakerd wit zwijn?' vroeg hij nog vertwijfeld, maar de eerlijke kok biechtte zijn fout op en vertelde dat dit inderdaad het zwarte zwijn was, omdat het witte in de keuken door een wolf was gepakt. Het gezelschap lachte daarop de markies uit, die zichzelf een loer had gedraaid. Die keek zijn ongrijpbare gast, die van iedereen lof kreeg toebedeeld, die dag niet meer aan. De populaire arts wist nadien nog wekenlang op het landgoed te verpozen en liet zich de rijkdom welgevallen, totdat zijn gastheer het niet meer hield en hem sommeerde te verdwijnen. De volgende dag liet de geleerde het luchtkasteel om het even achter zich.

Na de luxe en overdaad werd het tijd voor purificatie en Nostradamus besloot het gebergte op te zoeken. Zo geraakte hij in de Alpen met hun zuivere berglucht. De grootse natuur van de Zwitserse Confederatie was een belevenis en er ontstond meer en meer ruimte in zijn hart. Ook zijn inzichten namen toe. De groei kostte tegelijk veel pijn en moeite, omdat lijden en genieten nou eenmaal dicht bij elkaar liggen.
'Waarom moet de mens eigenlijk eerst lijden om dan weer te kunnen genieten?' vroeg Michel hardop, toen hij in z'n eentje een stil bergmeer overvoer. Maar het meer bleef in stilzwijgen gehuld, terwijl hij de platte schuit gestaag vooruit peddelde.
Ach, ik denk dat ik 't wel weet. We hebben onze talenten tijdens de jeugd verkwanseld en nu is het knokken geblazen om die kwaliteit te heroveren, maakte hij zichzelf wijs.
'Berggoden, vertellen jullie dan eens, waarom een baby nog één met alles is om naderhand door de zondeval uit het paradijs verstoten te worden?' Maar ook de bergen lieten niets los en zijn ego stak andermaal de kop op om het leven te verklaren. Enigszins jaloers zag hij de planten en dieren aan, die de Schepper veel beter dienen door gewoon te zijn wie ze zijn. Maar hij troostte zich met de gedachte dat een eigenschap pas een eigenschap is als deze zelf geschapen wordt, en hij verlangde er vurig naar ooit eens op eigen kracht de naakte waarheid te kunnen aanschouwen. Gaandeweg kreeg hij weer zin in het leven en bij iedere bestijging van een berg bezong hij het. Op elke top was zijn beloning een heldere geest en een vergezicht. Op een gegeven moment stak hij de Rhône in Wallis over.
'Nu weet ik waar ik naartoe geleid word,' relativeerde hij zijn spirituele zoektocht. 'Naar Italië!' En in aangename eenzaamheid zette hij zijn reis voort naar het land van de machtige Kerk. Weken later liep hij in de omgeving van Perugia een groep monniken op een bergpas tegen het lijf. Aan het armoedige uiterlijk zag hij dat het Franciscanen waren. De monniken met grauwe pijen waren volgelingen van de heilige Franciscus van Assisi, die armoede predikte om dichter bij God te komen. Ze naderden elkaar en de Fransman stapte opzij om hen te laten passeren en boog uit respect het hoofd. Vanuit zijn ooghoek ving hij een glimp op van een van de Franciscanen en pardoes slaakte hij een kreet van bewondering. Toen knielde hij en bracht zijn hoofd op de voeten van de overvallen monnik. Michel was verrast door zijn eigen devotie en begreep dat hij zijn meerdere was tegengekomen.
'Kom kom, zo bijzonder ben ik niet,' reageerde de jonge monnik, maar de ziener zag het kristalhelder voor zich en zei: 'Ik kan niet anders dan buigen voor uwe Heiligheid. U was eens een arme varkenshoeder, nu een eenvoudige monnik, maar ooit zal uw naam in gouden letters op het hoogste punt van de Sint-Pieterskoepel in Rome schitteren. U bent de toekomstige Paus Sixtus V.' De verbaasde monnik keek zijn broeders verzoekend aan, maar die wisten ook niet wat ze ermee aan moesten.
'Er zijn vele wegen die naar Rome leiden, mijn beste vriend. En moge de Heer ons allen bijstaan,' zei hij maar en de Franciscanen vervolgden hun weg.

Na zijn langdurige zelfkastijding zocht de reiziger zijn heil in het weelderige Venetië, want verandering van spijs kon geen kwaad. De stad had de Gouden Eeuw achter de rug en verloor steeds meer veroverd gebied. Nochtans was hij benieuwd naar de nog immer grootste haven van de westerse wereld. Het was de stad waar de roemruchte Marco Polo en Columbus waren opgegroeid. Die laatste had net Amerika ontdekt. Met een vissersbootje belandde Michel in de reusachtige haven, waar tientallen schepen aanmeerden of voor anker lagen. De exotische ladingen met zijden stoffen, specerijen en vreemde sieraden waren vaak jaren onderweg. Hij sprong met zijn bagage aan wal en liep langs balen en kisten met Chinees en Arabisch schrift, die hoog stonden opgestapeld.
Hier is vast wel wat te beleven, verkneukelde hij zich. Venetië lag onder een dikke laag mist en de talrijke paleizen, kerken en kanalen gaven zich maar mondjesmaat bloot. Michel vond spoedig schappelijke behuizing en borg er zijn spullen op. Hij besloot een toer door de stad te maken en klom het sleetse trappetje van het kosthuis af.
'Mijnheer, u hebt de sleutel vergeten,' riep de verhuurder, die hem achterna liep.
'Ik heb geen sleutel nodig,' respondeerde de geleerde in goed Italiaans, 'want ik heb vertrouwen. Maar kunt u mij vertellen hoe ik aan een gondel kom?' De Italiaan opperde dat zijn neef hem wel wilde rondvaren. Een poosje later voer Michel over de vele kanalen, die met even zo veel bruggen verbonden waren.
'Op doorreis?' vroeg de neef.
'Ja en nee, ik denk namelijk dat ik hier een tijdje blijf,' antwoordde de Fransman.
'Dan moet u zeer bevoorrecht zijn. Er zijn niet veel mensen, die tijd, geld en onafhankelijkheid bezitten.'
'U hebt gelijk, maar decadentie ligt in het verschiet...' Toen ze onder de Brug der Zuchten doorvoeren, begon de gondelier te klagen. 'Mijn dromen komen nog niet uit. Ik had gisteren wel weer een nachtmerrie...' Zijn klant wilde het gezanik echter niet aanhoren en richtte zich op het drukke waterverkeer.
'Dit is het belangrijkste kanaal: het Canal Grande,' vertelde de gids weer bij de les, 'en daar verderop is de Rialtobrug.' Na enige tijd had Michel de mooiste plekken wel gezien en hij liet zich bij het Dogenpaleis afzetten.
'Binnenkort is er weer carnaval, misschien wat voor u,' opperde de gondelier tot slot.
'Nee, niks voor mij,' zei de gesloten buitenlander terug, die een duit in het zakje deed en vervolgens achter het paleis verdween van waaruit de Dogen de stad bestuurden.

Er klonk muziek in de straten en Nostradamus besloot zijn boeken met rust te laten.
Even wat anders aan mijn hoofd, dacht hij en hij verliet zijn bovenwoning om het feest van dichtbij gade te slaan. Drommen Venetianen begaven zich in het gedruis op straat en hadden zich fantasierijk uitgedost. Hun gezichten waren met sierlijke maskers bedekt, die karakterfiguren voorstelden, voornamelijk een parodie op de universele geleerde, de deftige koopman, de harlekijn en het geraffineerde dienstmeisje.
En morgen zeker klagen dat je een nachtmerrie hebt gehad, want helder van geest word je hier niet van, griepte de ziener. Op het plaza van San Marco was het droomachtige spektakel op stoom gekomen. Het zat er stampvol met feestgangers en de muziek vervulde het weidse plein. Om uit het gedrang te komen schuifelde Michel langs de waterkant, en kwam, na een hoge zuil met een leeuw ontweken te hebben, op het wat rustigere Piazzetta uit, waar hij een bijzondere dame zag staan. Ze droeg een davidster om haar hals en werd omringd door kleine kinderen, die rond een vlinder van gekleurd glas speelden. Het was de gnostische vlinder. Geïnteresseerd liep hij naar haar toe.
'Wat een prachtige vlinder!' riep hij, maar er was te veel rumoer om elkaar te verstaan. De vrouw zag zijn toenadering en gaf hem zonder iets te zeggen een masker van de duivel. Ze bedoelde er waarschijnlijk mee dat hij zich aan de feestende bevolking moest aanpassen, en welwillend zette hij het masker op. Toen hij net wilde vragen of het hem goed stond, was de intrigerende vrouw met kinderen als bij toverslag verdwenen. Hij zocht hen in alle richtingen, maar de vele feestgangers hinderden zijn zicht. Verrast ontdekte hij haar weer bij de eeuwenoude bibliotheek en ze wenkte hem te komen. Sprakeloos wrong hij zich tussen de menigte door, maar bij de bibliotheek aangekomen, was ze weer weg, en hij voelde zich in verlegenheid gebracht. Opnieuw zag hij haar, met de kinderen. Ze dansten door de Poort van het Papier en hij vocht zich een weg naar het centrale gebouw met zijn spitsbogen. Maar op het binnenplein gekomen, ontwaarde hij slechts standbeelden van Mars en Neptunus. Schielijk keek hij om zich heen. Daar renden ze de Trap der Reuzen op; ze speelden duidelijk een spelletje met hem.
'Is dit soms een of ander carnavalesk ritueel?' riep hij ze na, maar zijn klanken verstierven in het gedruis. Hij besloot het mysterie te volgen, werd trappen en straatjes ingelokt en geraakte in een wat stillere wijk. De geheimzinnige dame danste nu met haar spruiten een houten buitentrap op en verdween in een van de oude huizen, die door de laagstaande zon grote schaduwen afwierpen. Al snel besteeg Michel dezelfde trap en trad het huis binnen. Hij kwam op een begroeide binnenplaats terecht met een waterput, maar geen vrouw of kind te bekennen.
'Is daar iemand?' vroeg hij, maar er kwam geen reactie. Achter op de binnenplaats was een deur die zijn aandacht trok. Hij opende hem en betrad een nauw steegje dat naar een ander hof leidde, dat meerdere deuren bezat.
Waar word ik toch naartoe geleid? peinsde hij. Op de eerste ingang stond Shalom geschreven en hij opende de deur. In het vertrek stond een tafel, waarop een zevenarmige kandelaar was geplaatst. De menora kende hij nog goed van zijn jeugd.
'Hallo, volk!' riep hij, maar niemand liet van zich horen. De vrouw en de kinderen waren in het niets opgelost. Plotseling klonk er opdringerig trompetgeschal vanuit de stad en argeloos liep hij naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. In het straatje waar hij zojuist nog liep was niets te zien. Het venijnige trompetgeschal klonk opnieuw. Het leek van het San Marcoplein te komen en hij besloot ernaartoe te gaan. Onderweg merkte hij dat alle straten verbazingwekkend leeg waren. De stad leek wel uitgestorven, op enkele verklede stedelingen na, die angstig wegrenden. Hij hield een van hen aan en vroeg waarom deze aan het vluchten was geslagen.
'Het carnaval is per decreet verboden,' treuzelde de man.
'Door de Dogen?'
'Die zijn er niet meer,' en de Venetiaan maakte dat hij wegkwam. De geleerde stiefelde verder en bereikte het San Marcoplein, waar alleen nog sporen van het carnaval te vinden waren. Verontrust keek hij om zich heen. Zelfs de zuil met de leeuw was weg. In plaats daarvan stond er een nieuw standbeeld, een steigerend paard met een heldhaftig figuur. Napoleon Bonaparte was zijn naam.
'Pak die man met dat masker op!' schreeuwde iemand opeens. Michel keerde zich om en zag een groepje Franse soldaten die op hem aasden. Instinctief sprong hun landgenoot de lucht in en wist de gardisten vliegend te ontkomen. Binnen afzienbare tijd zag het zwart van de soldaten, en ze wezen elkaar op de vermeende feestganger, die dicht boven de daken verbleef.
'Dat houdt-ie nooit lang vol,' zei een officier, die verschillende straten in het gebied liet afzetten. Nostradamus zag het groeiende gevaar aan en probeerde naar zee te vluchten, maar onvoorzien wist hij de zwaartekracht niet meer te weerstaan en hij begon te dalen. Een compagnie soldaten spoedde zich naar de kade om de wetsovertreder alsnog in de kraag te vatten. De situatie werd penibel en Michel zweefde knarsetandend omlaag. Nog net wist hij van zijn val een glijvlucht te maken en plonsde uiteindelijk in het havenwater. De militairen probeerden de rebel nog te grijpen, maar die dook diep onder water en verstopte zich daarna tussen de aangelegde boten.
De volgende morgen overpeinsde de reiziger zijn warrige droomtoestanden in het lommerrijke park van Zan Zanipolo. Ditmaal was hij de werkelijkheid volledig uit het oog verloren en hij wist niet eens vanaf welke dag. De bruisende stad had hem doen ontaarden.
Napoleon, herinnerde hij zich. Maar het zal nog wel een paar honderd jaar duren eer deze keizer in de stof aan de macht komt, schatte hij in en hij maakte een notitie in zijn dagboek.
Wonderbaarlijk eigenlijk dat alles en iedereen er al is, wachtend op een kans om zich te verwezenlijken. En die intrigerende dame: wilde ze me nou een bepaald inzicht verschaffen of juist voor het Franse gevaar behoeden? In ieder geval liep het met een sisser af. Vliegen had Nostradamus vaak genoeg tijdens zijn slaap gedaan, maar nog niet in de toekomst. Jammer dat hij nog over zo veel ego beschikte. Op belangrijke momenten raakte hij telkens bezoedeld en dan zakte hij weer omlaag.
'Morgen begint het carnaval, mijnheer,' maakte een hovenier opeens gewag. De geleerde knikte vriendelijk terug.
Stel je voor dat de aanhangers van Napoleon me hadden gepakt, dubde hij, terwijl er afgeknipte takken voor zijn voeten vielen. Wat had er dan gebeurt? Als ik in de toekomst schadevrij wil blijven, moet ik voortaan bewuster in mijn dromen te werk gaan, want hoge bomen vangen veel wind. De tuinman, die voor enig snoeiwerk in de boom vlak achter hem zat, waarschuwde hem voor een grote, vallende tak.
Wanneer is de werkelijkheid toch in die droom overgegaan? peinsde Michel verder en hij besloot van nu af aan elke dag een sprongetje te maken om zich van de zwaartekracht te vergewissen. In de hogere werelden is namelijk amper gravitatie, wist hij. Hoe hoger hoe minder. De geleerde stond op, sloeg de bladeren van zich af en verliet het park. Tot dusver waren locaties de aanleiding voor zijn voorspellingen geweest, maar hij hield het goed voor mogelijk ooit eens vanaf één plek de gehele wereld te kunnen bezoeken.

Na een aantal maanden Venetië kreeg Michel weer behoefte aan verandering; hij wilde verder reizen. Hij had zich bij een rederij aangemeld en zou met het eerste het beste schip dat vertrok meegaan. Drie dagen later pakte hij zijn biezen en liep naar een pas gearriveerde driemaster, die naast de scheepswerven aan de kade lag. Het Hollandse koopvaardijschip, onder leiding van kapitein Pelsaert, werd gewoonlijk voor de handel gebruikt, maar ditmaal was er weinig lading en meevarenden waren tegen betaling welkom. Michel slalomde tussen de timmerlieden door naar de schoener, waar een matroos bij de loopplank op wacht stond. De Voorzienigheid zag er rank uit, in tegenstelling tot de potsierlijke, lompe schepen uit de vorige eeuw. Er was bij de Portugezen en Spanjaarden een koorts uitgebroken om de wereld te verkennen, en de scheepsbouw ging met sprongen vooruit.
'Ahoi, passagier Nostradamus,' begroette hij de matroos, die op de uitkijk stond. De zeeman keek hem nors aan, liep vervolgens een lange lijst met namen na en begon in het Nederlands te praten. Michel gebaarde hem niet te kunnen volgen, waarop het bemanningslid reageerde met 'No Nostradamus.' Die verzocht hem daarop de lijst te overhandigen.
'Kijk, dat ben ik,' zei hij zijn naam aanwijzend en hij sprak toen elke letter uit. De Hollander haalde zijn neus op en maakte een geldgebaar: 'Blijckende penning, ping ping.' De Fransman betaalde hem op voorhand de reiskosten en betrad de loopplank van het zeilschip.
'Pedante penningmeester,' schamperde hij en hij sprong aan boord en liep naar een handjevol medepassagiers, dat bij de grote mast op instructies stond te wachten.
'Gaat u ook voor zaken naar Malta?' vroeg een opdringerig ventje, waarop de geleerde mistroostig het hoofd schudde. De Venetiaan begreep dat hij bij dit figuur niets te zoeken had en begon toen tegen een alleenstaande dame te zeveren.
'Mooi schip hè, mevrouw? De bouw ervan duurt wel drie maanden.'
'Zo lang?' vroeg ze. Het kereltje weidde vervolgens langdradig over het schuren van hout uit, toen kapitein Pelsaert ieders aandacht trok. Hij verwelkomde de meevarenden in het Italiaans en vertelde hun dat ze zojuist een lading Delfts porselein aan land hadden gezet en nu specerijen naar Sicilië zouden brengen. Het schip kwam uit Amsterdam, de stad die enorm in opkomst was. De kaaskoppen verhandelden peper, nootmuskaat, kruidnagel, Chinese thee, koffie, suiker en natuurlijk kaas. De kapitein werd tijdens zijn praatje door een bemanningslid geroepen en liep weg. Waar kwam die rotte lucht toch ineens vandaan? Het juiste tij bleek te zijn aangebroken. De trossen werden losgegooid en de schoener werd behoedzaam door roeiboten de haven uitgeloodst. Buiten op het zeegat werd de fok als eerste zeil bijgezet en het schip koos met behulp van een licht briesje het ruime sop. Nostradamus borg zijn spullen in zijn kajuit op en rook opnieuw een smerige lucht. Een scheepslied wees hem erop dat het schip eerder slaven had vervoerd. De geur van verderf was onderdeks niet te harden en Michel begaf zich snel weer naar buiten in de frisse zeewind, waar de passagiers sentimenteel afscheid namen van het tanende Venetië.
Ik richt me liever op de toekomst, dacht hij eigenwijs en hij wandelde via de overloop, die over de gehele lengte van het schip liep, naar voren toe. Op de voorsteven genoot hij met volle teugen van het weidse uitzicht, terwijl de boeg het zeewater zachtjes tot schuim sloeg.
Het lijkt zo wel of je als een vogel over de zee vliegt, beeldde hij zich in. Na zich verpoosd te hebben keerde hij terug naar het kampanjedek. Hij zag Pelsaert op de plecht staan, waar de stuurman juist het rad van hem overnam.
Een geschikt moment om eens nader met de kapitein kennis te maken, vond Michel en hij beende erop af.
'Komt u kijken hoe we het schip op koers houden?' vroeg Pelsaert.
'Nou en of, we varen zo langs een eiland met sirenen en ik ben benieuwd of u de verleiding kunt weerstaan.'
'De Odyssee van Homerus zeker gelezen?' veronderstelde de kapitein.
'Ja, maar alleen in het Grieks!'
'Zo zo, een geleerde aan boord. Ik kan ook lezen hoor, maar ik heb er weinig tijd voor. Kaarten lezen, dat doe ik wel geregeld. Hebt u misschien zin om in mijn hut mijn verzameling kaarten te bekijken?' Michel ging op zijn uitnodiging in en keuvelend liepen ze naar het grootste kwartier aan boord. Pelsaert bleek enorm uit zijn mond te stinken en zijn hele hut was ervan doordrongen. De arts stond op het punt hem te adviseren de mond met alcohol te spoelen, maar hield zich in.
Misschien bij een volgende ontmoeting, dacht hij. De kapitein spreidde een kaart van de Adriatische Zee op tafel voor zich uit.
'Kijk, zo varen we om de laars van Italië heen,' en hij stippelde de route voor hem uit. 'Op deze plek moeten we wel uitkijken voor piraten.'
'Wat een mooie kaart,' merkte zijn gast op.
'Van de Vlaamse cartograaf Gerardus Mercator. Ik heb nog meer van hem,' en trots haalde hij verscheidene land- en zeekaarten uit een kist.
'Het zijn de beste die er zijn,' vervolgde hij. 'Ze zijn namelijk met een nieuwe projectiemethode ontwikkeld. In de oude bladen zitten veel fouten en ze zeggen dat Columbus daardoor, bij zijn zoektocht naar een alternatieve route naar India, op het verkeerde been is gezet.'
'Handig, die kaarten,' beaamde Michel, 'maar de positie van het schip kan toch veel beter gemeten worden aan de hand van sterren.' Pelsaert lachte zelfverzekerd: 'Absoluut, zonder jakobsstaf zijn we verloren,' en uit een lade haalde hij een typisch instrument tevoorschijn dat sterren kon meten.
'Kijk, naast de kantelhoek staat het aantal graden van de breedtelengte vermeld,' legde hij uit.
'Het apparaat moet zeker op de poolster worden gericht?' nam zijn gast aan.
'Zo, ook al verstand van sterren,' zei Pelsaert, die de jakobsstaf weer opborg.
'Best wel, ik heb mij jarenlang in astrologie verdiept.'
'En wat vindt u hiervan?' vroeg de kapitein, die een baardmankruik op tafel plaatste. Het gelaat op de kruik moest hemzelf voorstellen, maar de gelijkenis was niet erg treffend.
'Eh, ik ben er niet echt weg van,' antwoordde Michel eerlijk. Pelsaert reageerde wat kriegel en liet merken dat hij weer aan de slag moest, maar probeerde zijn gast nog wel te imponeren met een verzameling zilveren penningen. De zilverstukken waren inderdaad prachtig. De geleerde bedankte hem voor het interessante bezoek en stond achteraf nog een tijdje aan dek uit te waaien. Toen het donker werd, ging iedereen naar zijn kooi, terwijl het schip lichtjes heen en weer deinde. Tijdens de nacht werden de golven een stuk groter en de schoener ging flink tekeer. Michel kon er maar niet door in slaap vallen. Mettertijd werd hij zeeziek en de alleskunner nam het zichzelf kwalijk. Na vier lange dagen voeren ze eindelijk om de laars van Italië heen en lag Sicilië in het verschiet.
Misschien dat ik hier maar aan wal ga, overwoog Michel. Ik krijg maar geen zeebenen. Die avond kregen de passagiers een bizarre prak geserveerd in de kombuis, hutspot genaamd.
'Goed tegen zeemonsters,' zei de scheepskok, die iedereen een flinke schep gaf.
'Zijn die hier dan?' vroeg ene Giuseppe bang.
'Zeker, we moesten een maand geleden nog voor de Kraken vluchten. Een gigantisch zeemonster, dat het hele schip kan doen kapseizen.'
'En hutspot helpt daar tegen?'
'Zeemonsters houden niet van hutspot,' verduidelijkte de kok en de pot werd meteen door Giuseppe naar binnengewerkt.
'Flauwekul,' interrumpeerde een katholieke priester, die op Malta ging preken. 'Hebt u het monster, dat zogenaamd niet van hutspot houdt, ook zelf gezien?'
'Nou nee, ik was in de kombuis,' verdedigde de kok zich.
'Allemaal door angst en onwetendheid aangedikte verhalen,' hernam de priester en het groepje tafelgenoten haalde opgelucht adem.
'De Kraken, is dat niet zo'n reuzenoctopus met enorm lange tentakels?' vatte Nostradamus toen op.
'Ja precies, zie je wel dat ik gelijk heb, onze geleerde zegt het zelf,' reageerde de kok blij.
'Ik denk dat ik morgen niet naar Malta doorreis,' kondigde Michel prompt aan en het groepje meevarenden kreeg het wederom Spaans benauwd.
'De kans dat we door piraten worden geënterd is echter vele malen groter,' roerde de kok verder aan.
'Nu is het genoeg geweest met die akelige verhalen,' verfoeide de priester hem, 'er is hier een dame aanwezig.' Lang na het eten, al diep in de nacht, voer het schip de baai van Syracuse in en het anker werd uitgegooid. Michel lag met hoge koorts onder zeil en vroeg zich af wat hij mankeerde.
Ben ik nu zeeziek of komt het door die hutspot? giste hij. De Hollandse maaltijd lag werkelijk als een steen op de maag. Een reiziger in dezelfde kooi hoorde hem kreunen en lichtte de scheepsarts in. Die kwam slaperig aangewaggeld om het geval te onderzoeken. De kapitein, die niet slapen kon, kwam ook langs en zijn rotte adem walmde over de patiënt heen.
'Driemaal daags met mondwater spoelen,' ijlde Michel opeens.
'Hij spreekt wartaal uit,' constateerde de scheepsarts bedrukt. 'Hij moet zo snel mogelijk aan wal, daar kan hij beter behandeld worden.' Vroeg in de morgen werd de zieke geleerde per sloep aan land gezet en naar een hospitaal in Syracuse gebracht. De Voorzienigheid hervatte nog die dag zijn reis naar Malta.

Na dagen ziekbed wist de Siciliaanse arts nog steeds geen raad met zijn Franse patiënt die hevig lag te schudden.
Dan maar een aderlating toepassen om kwade sappen te laten wegstromen, dacht hij.
'Nee!' protesteerde Nostradamus als een tierelier toen zijn arm werd vastgepakt. De Siciliaan schrok zich wild en zag van de behandeling af. Ondanks heldere momenten wist Michel maar niet zijn gedachten op een rijtje te zetten. Het koste hem te veel inspanning en hij zakte telkens weg. De hoge koorts bleef aanhouden en de lokale arts besloot alsnog tot aderlating over te gaan, toen een Arabier hem onverwachts op de schouders tikte.
'Ik wil dat deze man bij mij thuis op krachten komt, want het is hier te druk voor hem. En ik neem de verantwoordelijkheid volledig op me.'
'Oh, mijnheer Al-Ghazali!' en de arts knipte als een zakmes. De zieke werd daarna naar een riant huis aan zee gebracht, waar een zachtaardige vrouw hem met grote toewijding verzorgde. De aandacht, de zeelucht en de stilte deden hem bovenmatig goed en de koorts begon eindelijk te zakken. Enkele dagen later stond hij weer op de been en zijn mysterieuze weldoener kwam langs.
'Ik zie dat er vooruitgang is,' zei de man met donkerbruine ogen.
'Ja absoluut, maar wie is het die mij zo onbaatzuchtig geholpen heeft?'
'Ik ben Abu Hamid Al-Ghazali*(Europese naam: Algazel), maar mijn vrouw Fatima heeft al het werk verricht. Ik heb slechts opdracht gegeven u hier te brengen.'
'U hebt er wel mijn leven mee gered,' bedankte Michel hem. Zijn redder zweeg innemend, terwijl de bruisende branding prettig op de achtergrond klonk.
'We zijn allebei van oorsprong geen Siciliaan,' merkte Abu toen op.
'Dat dunkt mij ook, ik kom namelijk uit Frankrijk, en u?'
'Bagdad Perzië,' antwoordde de Arabier, die geheel in wol gekleed ging.
'Hoe komt u dan op dit eiland terecht?'
'Mijn vrouw en ik zijn hier neergestreken, omdat er een vrije geest heerst. Maar ik moet u alweer verlaten, omdat het tijd is voor ons gebed. We zien elkaar spoedig weer.' De muzelman liep de kamer uit en de patiënt richtte zijn aandacht weer op de zee en volgde het spel der golven. De volgende dag was hij sterk genoeg om samen met Al-Ghazali en zijn vrouw de middagmaaltijd te delen.
'Het mooie van Sicilië is dat de Arabische en christelijke cultuur hier elkaar treffen,' zei Abu terloops. Zijn gast knikte instemmend, terwijl de bescheiden Fatima enkele kommen op tafel plaatste.
'Nog heimwee naar de Provence?' sprak de muzelman verder.
'Niet echt, ik ben er vele jaren geleden vertrokken en reis nu van hot naar her.'
'Volgens mij volgt u de weg van het hart...'
'U doorgrondt mij snel,' reageerde Michel verbaasd. 'En wat houdt u zoal bezig?'
'Ik beoog naar de inzichten van het soefisme te leven, een mystieke stroming binnen de islam. Daarnaast publiceer ik werken in mijn moedertaal.'
'Spijtig dat ik geen Arabisch spreek, anders had ik me er graag in verdiept. Maar wellicht kunt u iets over uw boeken zeggen.' Abu dacht even na, terwijl zijn vrouw met een hete pan kwam aangelopen.
'"Het elixer van de gelukzaligheid", is de titel van mijn laatste werk,' gaf hij toen als voorbeeld.
'Oh, ik dacht dat de islam juist gefundeerd was op onderwerping,' zei Michel.
'Nee hoor, menig moslim gelooft misschien van wel, maar de Koran en de strikte regels van de Sharia zijn slechts uiterlijkheden. De ware boodschap van Allah is liefde.'
'Díé boodschap heeft mij dan op het juiste moment uit de brand geholpen.'
'U moet gezegend zijn, mijn beste.'
'Daar is de laatste jaren anders niet veel van te merken geweest,' mopperde zijn gast.
'Ach, het leven is niet altijd wat het lijkt en de beproevingen zijn zwaar. Maar misschien komt er binnenkort een vrouw in uw leven die de weg wat zachter maakt.' Fatima schonk intussen de soep in en het Arabische echtpaar begon in stilte te eten. Door hun vredige aanwezigheid was er geen enkele drang meer tot spreken en hun gast at in alle rust mee. Na een week zat hij weer goed in zijn vel en werd het tijd om verder te reizen.
'Vliegt de arend weer weg?' vroeg Abu toen de herstelde arts hem wilde spreken. Die laatste glimlachte deemoedig.
'Hoe kan ik u bedanken?'
'Leef, dan doet u al genoeg,' antwoordde de muzelman welgemeend. Michel omhelsde hem en bood alsnog geld aan, maar Abu weigerde pertinent. De Fransman bedankte ook hartelijk zijn echtgenote en trok toen alleen verder.

Het zuidelijke deel van Sicilië bestond uit schilderachtige vlaktes, maar keek je naar het noorden, dan zag je de Etna, de grootste vulkaan van Europa, dreigend boven het landschap uitsteken. Nostradamus vernam in het stadje Syracuse dat het gebied rond de vulkaan weer getroffen was door tal van aardbevingen. Er was al een jaar een grote rookpluim te zien boven de top, die met sneeuw werd bedekt. Zijn interesse werd door de berg gewekt en hij opperde het plan hem te beklimmen. Hij moest al jaren op het scherp van de snede leven om wakker te blijven. Voor de riskante onderneming testte hij uitvoerig zijn lichamelijke conditie.
Alles lijkt naar behoren te functioneren, stelde hij bij zijn laatste kniebuiging en hij kocht een oude officiershoed tegen de brandende zon. Tijdens de voettocht naar de vulkaan bracht hij de nachten door in gastvrije boerderijen. Nadat hij vele vlaktes had belopen, begon het landniveau serieus te stijgen. De tocht werd zwaarder en de Etna alsmaar groter. Rond de voet van de vulkaan was de grond zeer vruchtbaar geworden. De Sicilianen verbouwden er citrusvruchten, olijven, druiven, vijgen, tarwe en gerst. De vulkaan nam en gaf klaarblijkelijk het leven. Michel bezocht een laatste boerderij en informeerde naar de toestand van de Etna.
'U moet wel van lotje getikt zijn om de berg louter voor het plezier te beklimmen,' fronste de boer.
'Ik heb het gevaar nodig.'
'Ach, het is uw leven,' en de boer legde hem vervolgens de beste klimroute uit. De dag erop liet de zonderling de bewoonde wereld achter zich. Spoedig kwam hij dennenbomen tegen die om de stenen reus heen groeiden. Hij oriënteerde zich, at een sinaasappel en hervatte zijn tocht door het woud dat geleidelijk in een kale rotswand veranderde. De ondergrond werd nu beduidend steiler en de avonturier moest op adem komen. In de verte ontdekte hij de baai van Syracuse. De schepen waren er als speldenprikjes te zien.
Zo klein en kwetsbaar; het lijkt de mens wel, filosofeerde hij en hij wilde zijn tas weer op zijn rug gooien.
Wat ben ik eigenlijk eenzaam, jeremieerde hij opeens. Ik mis mijn familie en zelfs mijn eigen land. En door de plotselinge heimwee liet hij het hoofd erbij hangen.
Nu niet sentimenteel worden, terwijl je aan een steile bergwand hangt, en vastberaden zette hij zijn tocht voort. Links van hem was een gat met lava te zien en waterdamp sloeg er vanaf.
Vuur, aarde, water en lucht. Misschien ben ik daarom wel hier, om de bouwstenen van het leven te ervaren.
De Etna leek in ieder geval veilig. Er had zich volgens de laatste boer al maanden geen nieuwe uitbarsting meer voorgedaan. De vulkaan verspreidde niettemin veel rook, die tot in de wijde omtrek te zien was.
'Je houdt je toch wel rustig, hè?' Michel klom verder, maar verschoot van kleur toen er met een enorme knal een wolk van as werd uitgestoten. Het vulkaanstof spoot uit een van de zijwanden, maar het was geen uitbarsting van de centrale kegel.
Niets aan de hand, loos alarm!
Na een hele heisa geraakte hij op het besneeuwde gedeelte, waar nog een enkele doornstruik groeide. De eenling keek daar de diepte in en zag rivieren met magma uit verschillende flanken stromen.
Wat ziet dat er eng uit. Ben ik niet wat onbezonnen bezig? vroeg hij zich af. Maar het weer zat mee en het moest toch te doen zijn. Eindelijk bereikte hij de top en de machtige krater kwam tevoorschijn. Op de rand geklommen overviel hem opeens een ijselijke angst. Hij verloor zijn evenwicht en kukelde bijna de kloof in. Net op tijd zette hij zijn voeten schrap en greep zich vast aan de ondergrond. Zijn officiershoed viel daarbij van het hoofd en dwarrelde de diepte in.
'Dat scheelde maar een haartje!' mompelde hij opgelucht, terwijl zijn hoed honderden meters lager op de bodem van de krater terechtkwam.
Waarom was ik opeens zo bang? De rillingen liepen me over de rug. Is het hoogtevrees of komt het door de ijle lucht of zwaveldamp? Hij had geen idee. Weer bekomen van de schrik wandelde hij voorzichtig verder en wist van de buitenissige natuur te genieten. Na een poosje op de top kreeg de klimmer last van onderkoeling en hij zette de afdaling in. Weer veilig bij de voet van de vulkaan besloot hij verder naar het noorden te trekken. Die keuze zou een hard gelag worden, want het bleek een uiterst zware weg te zijn die over grillige bergketens liep. Pas na weken bereikte hij gesloopt de havenstad Palermo, waar hij met zijn ziel onder de armen rondhing.
Mijn hart wordt niet bepaald warm van al dat gereis, dacht hij mismoedig, en toen hij bij toeval een kerkdienst in een Normandische kathedraal bijwoonde, wist hij het zeker. Hij wilde naar Frankrijk terug.

Michel vond een Portugees schip dat hem naar Marseille zou brengen. Na drie dagen oversteek verscheen de overheersende kalkrots van de Franse marinestad en de statige forten Saint Jean en Saint Nicolas bleken haar nog immer te beschermen. Langzaam voer het schip de haven binnen, waar een deel van de kade onder water stond door een zeldzaam hoog getij.
Dat kan problemen met de Rhône gaan opleveren, wikte de wetenschapper, die over de reling toekeek. Na zijn ontscheping vond hij een woning op de Canebière, een centraal gelegen wijk van Marseille. Daarna besloot hij de terugkeer in zijn vaderland te vieren in een van de vele visrestaurantjes in de haven.
Binnenkort ga ik mijn familie eens opzoeken, verheugde hij zich, terwijl hij op een droog gebleven terras op de kade plaatsnam. Een ober kwam de bestelling opnemen.
'Goedemiddag, wat zal het zijn?'
'Hebt u zeetong op de kaart staan?'
'Geen probleem, zoals u ziet zwemmen ze zo het restaurant binnen,' grapte de ober.
'Nou, geef mij dan maar een in boter gebakken zeetong. Ik ben namelijk uitgehongerd.'
'Nog iets drinken?'
'Doe maar een biertje,' besloot de enige gast, in feeststemming.
'Wellicht vergis ik me, maar bent u niet die bekende arts van weleer. Eh Notre of Nostre...'
'Nostradamus! Jazeker, prettig dat ik nog herkend word. Ik ben heel lang in het buitenland geweest en kom vandaag pas aan.'
'Dan komt u als geroepen,' sprak de ober ineens ernstig.
'Vertel op!'
'Wel, er hebben de grootste overstromingen uit onze geschiedenis plaatsgevonden. De hele Rhône-delta is overspoeld door wekenlange regenval in de Alpen en het overschot aan rivierwater kan door de extreem hoge zee niet wegstromen. Tot overmaat van ramp is er een pestgeval gesignaleerd.'
"Oei, dat kan een desastreuze combinatie worden," begreep Michel, die tegelijk aan zijn familie in Saint Rémy dacht, waar de Rhône vlak langs stroomde.
'Er zijn al veel mensen verdronken,' weidde de ober uit. 'De overlevenden zijn door het water van al hun bezittingen beroofd en bijna iedereen is dakloos. De wegen zijn weggespoeld en het vee drijft dood in de rivieren.'
'Is Saint Rémy ook getroffen?'
'Ongetwijfeld. De gehele Camargue is overstroomd en het gebied is niet of nauwelijks bereikbaar.'
'Maar dan beschikken de mensen niet meer over veilig drinkwater...'
'Weet ik niet, maar de ramp wordt op dit moment door het provinciebestuur in kaart gebracht, en ze zoeken naarstig naar lieden met medische ervaring. Om een dokter met uw staat van dienst staan ze werkelijk te springen.'
'Dan zal ik de handen uit de mouwen gaan steken,' zei Michel. 'Geef mij nu in plaats van die tong maar een eenvoudige hap, want een feestje kan ik niet meer vieren.' Even later meldde hij zich bij het lokale bestuur en kreeg meteen twee medewerkers toegewezen. Pas toen het waterpeil begon te zakken, vertrokken ze met z'n drieën te paard naar het rampgebied om de situatie te bekijken en eerste hulp te bieden.
'Mannen, om jullie geheugen op te frissen: nogmaals mijn plan van aanpak,' gaf Nostradamus hun te verstaan. 'Het enige dat wij nu voor de mensen kunnen doen, is iedereen voorhouden dat het gangbare water niet geschikt is voor consumptie, zelfs niet om mee te wassen. Veilig water is gekookt water of regenwater dat in schone tonnen is opgevangen. Bij terugkomst gaan we rozenbladpillen maken om deze naderhand aan zo veel mogelijk slachtoffers uit te delen.' De twee hulpen knoopten het goed in de oren. Voor de middag bereikten ze de Rhône, waarin ze al enkele lijken zagen ronddrijven, en de paarden begonnen zich bokkig te gedragen. Ze stapten om die reden af en bonden de dieren aan een boom vast.
'Laten we eens kijken waaraan die arme zielen gestorven zijn,' zei de leider en ze liepen gezamenlijk naar de oever, waar ze met een stok in een lijk prikten, dat langs de kant dreef.
'Probeer het eens om te draaien, dan kan ik wellicht meer zien,' verzocht de leider. Na wat gepeuter lukte 't de helpers het lijk om te draaien en er kwam een gezicht met gruwelijke zweren tevoorschijn.
'De zwarte dood!' huiverden ze.
'Laten we maar weer verder gaan, de paarden zullen er wel aan wennen,' sprak de arts somber. Het eerste overstroomde dorp dat ze met veel moeite bereikten, bleek tegelijk door een vloedgolf van pest getroffen te zijn. De straten stonden er blank en in de plassen dreven mensen- en dierenlijken. De onheilstijding begon zich af te tekenen en Nostradamus vreesde dat het de ergste ramp zou worden die hij in zijn leven had meegemaakt. Het deed hen pijn de ontredderde dorpelingen aan te moeten zien, maar ze konden na het overdragen van kennis niets meer doen en trokken verder. Tussen de Grand en de Petit Rhône was het vol met poelen des doods en de paarden weigerden geregeld. In alle volgende dorpen bleek de toestand hetzelfde te zijn. Magere Hein had overal zijn werk gedaan, waarbij je kon kiezen tussen de pest of de verdrinking. In het dorpje Ulain regeerde de angst, en sommige overlevenden klampten zich uit wanhoop aan de drie ruiters vast. Michel had de grootste moeite om zijn viervoeter in bedwang te houden en sommeerde hen los te laten.
'Wat komen jullie hier dan doen?' riepen ze in alle staten.
'Advies over het gebruik van water geven!' zei de dokter terug.
'Komen jullie alleen woorden brengen?'
'Ja, maar als jullie mijn raad opvolgen, is de kans groot dat je in leven blijft.'
'Zoek je heil maar ergens anders,' schimpte er één en de dorpelingen begonnen opeens met stenen en stokken te gooien. Het bereden trio maakte daarop dat het wegkwam. Na tientallen dorpjes te zijn door gejakkerd, bereikten ze de afsplitsing van de Petit Rhône met z'n grotere broer. Michel kende deze streek als zijn broekzak en spoedig zouden ze Saint Rémy, zijn geboorteplaats, binnenrijden. De bevolking bleek gedecimeerd te zijn.
Zal ik nog een familielid levend aantreffen, dacht hij bedrukt en hij liet zijn mannen achter en reed snel naar de Rue des Remparts, waar het huis van zijn ouders er verlaten bij stond. Hij steeg toch af in de hoop nog een teken van leven te vinden. Maar hij vond niemand en besloot voor informatie naar het stadshuis te gaan. De enig aanwezige ambtenaar wist dat een van zijn broers aan de rand van de stad een huis met instortingsgevaar aan het stutten was. Nostradamus sprong direct op zijn paard en ging erop af. Een ogenblik later zag hij Bertrand met een houten paal in de armen staan.
'Michel, je leeft nog!' schreeuwde zijn broer, die de ruiter meteen herkende, en hij wierp zijn paal op de grond. Ze vlogen elkaar om de hals en lieten de tranen de vrije loop.
'Vader en moeder?' vroeg Michel gehaast.
'Die leven al een tijd niet meer,' snotterde Bertrand.
'En hoe staat het met mijn andere broers?'
'Hector is verdronken en van Julien heb ik nog niets vernomen. Hij woont wel in het hoger gelegen Aix-en-Provence. Antoine leeft zeker nog en werkt bij de gemeente Arles. We zijn de watersnood dus relatief goed doorgekomen. Maar waarom heb je nooit wat van je laten horen?'
'Ach, er is te veel gebeurd om dat nu allemaal te vertellen. Maar kort gezegd ben ik na de dood van mijn gezin een half jaar gek geweest,' antwoordde Michel.
'We hebben het verschrikkelijke nieuws destijds van de gemeente Agen moeten vernemen.'
'Ik voel me nog steeds schuldig, Bertrand: het gezin van de pestbestrijder door de pest gegrepen,' zei hij even in andere tijden. 'Maar jij repareert dus ingezakte huizen?'
'Ja, en er is nog een hoop werk te verrichten zoals je ziet.'
'Nou, laten we dan maar weer aan de slag gaan, want ook ik moet nog bergen werk verzetten. Maar ik kom je snel opzoeken,' en ieder ging daarop zijns weegs. Toen het ergste van de watersnood en de pest achter de rug was, vestigde Nostradamus zich in het stadje Salon de Provence, waar de goegemeente de moedige arts direct in de armen sloot. Die nam zich voor om hier voorgoed te blijven wonen. Na een jaar had hij op de Place de la Poissonnerie een nieuwe praktijk opgebouwd. Daarnaast maakte hij weer etherische oliën en huismiddeltjes en gaf hij nog wat boekjes uit over cosmetiek en lichaamsverzorging. Het was het begin van een voorspoedige periode. Alleen een vrouw ontbrak nog.




Hoofdstuk 5



Alleen in de nacht in geheime studie
Rustend op een koperen driepoot
De vlam uit het niets ontsteekt dat succes
Waar lichtzinnigheid uit den boze is


Een kudde witte paarden stoof weg en een zwerm opgeschrikte roze flamingo's steeg op om verderop weer neer te strijken. De dokter galoppeerde op zijn merrie door de Camargue, het uitgestrekte natuurgebied waar hij in zijn vrije tijd kracht en rust vond. Het was een genot om door dit schone land vol meren en lagunen te rijden, bij uitstek geschikt voor watervogels. Hij liet de drassige heide achter zich en stuurde zijn paard richting de duinen. Een zwarte steltloper schoot schichtig weg. Boven op een duin hield hij in en tuurde een tijdje naar de horizon van de zee. De Camargue was als een eiland, gescheiden door de Méditerranée en de rivierarmen van de Rhône. De eeuwenlange sedimentatie van het rivierwater hadden het landschap door de eb- en vloedwerking een bijzonder karakter meegegeven. Het veranderde hier voortdurend en telkens wanneer hij kwam was er wel iets nieuws te ontdekken. Het enige stempel dat de mensheid op deze waterrijke vlakte had weten te drukken waren de kaarsrechte sporen uit een ver Romeins verleden. Hij leidde zijn viervoeter naar het brede zandstrand en liet de zeewind de vele indrukken van zijn patiënten doen wegwaaien. In de verte zag hij een donker profiel van een stier achter een heuvel verdwijnen. Hij spoorde zijn merrie aan, in de hoop meer wilde stieren te ontdekken, toen hij een paard achter zich hoorde aandraven. Hij keek achterom en zag een vrouw op een gitzwarte hengst. De paardrijdster met de rode hoofddoek reed hem zonder te groeten voorbij en schoot vervolgens de duinen in.
Het lijkt wel of ze iets achtervolgt. Dat moet ik eens nader beschouwen, dacht hij en hij spoorde zijn paard aan erachteraan te gaan. Nieuwsgierig geworden bekeek hij vanaf een duintop waar de stoere vrouw mee bezig was. Ze bleek als een bezetene achter een groep wilde paarden aan te racen en liet daarbij grote stofwolken achter zich. Meeuwen, aalscholvers, roofvogels en soortgenoten vlogen tegelijk uiteen.
Ze drijft wilde paarden op! stelde hij verwonderd vast. Laat ik haar maar eens een handje gaan helpen, en hij reed de heuvel af en bracht zijn paard in galop. Enkele flamingo's, met plankton in de bek, schrokken hevig van de onverwachte bezoeker en stopten direct met het voederen van hun jongeren.
'Excuseer mij,' knikte hij goedgehumeurd. Na een nat gedeelte werd de ondergrond droger en hij wist zijn merrie tot volle snelheid te brengen. Ondertussen schreeuwde de mannetjesputter de wilde paarden toe en ze sjeesde er opnieuw als een gek achteraan. Hoog boven haar vlogen groepen wit gele reigers in formatie door de blauwe lucht, veilig op afstand van het onstuimige tafereel. Michel wist haar in te halen en ijkte onderhand de richting van de ongetemde paarden, die door haar verwoed bij elkaar werden gehouden. Een aantal dieren dreigde aan de rechterflank te ontsnappen en hij sneed ze de pas af. Ze zag het, maar hervatte haar activiteit zonder enig bedankje.
Zo'n aanmatigende vrouw heb ik nog nooit meegemaakt, verkneukelde hij zich. Vol zelfvertrouwen reed ze daar op haar hengst rond en ondanks haar mannelijke neigingen had ze een goed geproportioneerd lijf.
Maar welke vrouw draagt er nou in vredesnaam een broek? Michel deed intussen zijn best om de dieren bijeen te houden, maar hij was geen geoefend ruiter en stuntelde geregeld. Zij deed echter nog steeds alsof haar neus bloedde. Enkele viervoeters probeerden nu via kleine, bosachtige gebiedjes te ontsnappen, maar ze kregen niet de kans en werden door hen beiden teruggedreven. Zo ging dit spel verder totdat hij op ongelijk terrein de paarden andermaal wilde bedwingen, maar het moest afleggen. Zijn merrie verstapte zich en met een smak viel hij op de grond neer. Hij bezeerde zich lelijk en de dragonder kwam naar hem toe gereden om te kijken hoe ernstig zijn val was. De kudde dieren viel intussen uiteen.
'Het spijt me dat ik het voor u verpest heb,' zei hij.
'Het is dat u het zelf zegt,' reageerde ze bot, terwijl ze afsteeg. Ze stak haar ongenoegen niet onder stoelen of banken.
'Lijf en leden nog in orde?' vroeg ze nu op mildere toon.
'Ik geloof van wel,' en hij voelde zijn lichaam na. 'Maar waar moeten die paarden naartoe?'
'Nergens!'
'Nergens? Doen we daar al die moeite voor?'
'We? Ik heb u niks gevraagd.' Daar had ze een punt en hij stelde zich voor.
'Michel de Nostredame, en met wie heb ik het genoegen?'
'Anne Ponsart Gemelle. Maar kom, laat ik u overeind helpen,' en ze pakte hem ferm bij de hand.
'U bent een sterke vrouw,' vleide hij, terwijl ze hem op de been hielp.
'Ja, soms zijn mannen wel eens bang voor me.'
'Ik heb eerlijk gezegd nog niet eerder zo'n struise vrouw meegemaakt. U drijft de wilde paarden louter voor het plezier op?'
'Ja, ik vertoef hier graag.'
'Uitzonderlijk voor een dame van welke stand dan ook. Ik kom uit Salon de Provence en ben daar werkzaam als arts. En waar komt u vandaan?'
'Istres, bij de lagune van Berre, en ik moet zeggen dat ik wel eens van u heb gehoord.'
'Zeg alsjeblieft Michel. Zullen we samen een stukje rijden?'
'Goed!' En ze bestegen daarop hun paarden. Terwijl het stel door een groen gebied trok, begon Anne te ontdooien en ze sprak ongebreideld over de natuur.
'Er zitten hier soms beren in de bosjes.'
'Beren? Ik heb hier nog nooit een beer gezien,' en stiekem bekeek hij haar vormen. Bezijden de brede schouders was haar lichaam eigenlijk heel vrouwelijk, vond hij nu. Ze had bovendien een mooi, gelijkmatig gezicht en onder haar hoofddoek zat dik, goudbruin haar. Toen ze de zoutvlakte overstaken, vertelde Anne - inmiddels op haar gemak - over watervogels en ze wees hem allerlei soorten aan. Ze vonden elkaar prettig gezelschap en hij wilde meer van haar weten.
'En, hoe staat het met de liefde?' vroeg hij recht op de man af. Maar dat was voor haar toch iets te direct.
'Er wordt hier veel zout gewonnen,' antwoordde ze de vraag ontwijkend. Hij drong verder aan.
'Een gezonde, jonge vrouw als jij heeft toch wel een man?'
'Ik ben weduwe,' legde ze korzelig uit en hij zei maar even niets. Ze bereikten het strand en reden stapvoets langs de kust naar Istres terug.
'Al lang weduwe?' vroeg hij een poosje later voorzichtig.
'Bijna drie jaar.' Dat komt mooi uit, dacht hij en toen ze bij haar woonplaats aankwamen besloot hij haar voor een etentje uit te nodigen. Het voorstel viel in goede aarde en ze spraken af.

Zijn dienstmeid had het huis flink aan kant gemaakt en Michel trof in de keuken de laatste voorbereidingen. Toen alles voor de middag klaar was, trok hij zijn beste kleding aan en het was nu nog wachten op het vrouwelijke bezoek. Eindelijk klopte ze aan en wat nerveus deed hij open.
'Goedemiddag mevrouw Ponsart Gemelle.'
'Ik dacht dat we gewoon 'je' zouden zeggen,' antwoordde ze tegendraads en ze bleef onbehouwen in de deuropening staan. De stugge Istrenaarse droeg hetzelfde kloffie als de eerste keer.
Elegant is anders, dacht hij beteuterd en hij voelde zich een tikje ongemakkelijk.
'Ik geloof dat ik in verhouding overkleed ben, maar kom er toch in.' Anne trad de huiskamer binnen en hij ving haar geur op. Ze rook in ieder geval lekker en haar kleren waren tenminste gewassen.
'Nou Michel, ik hoop dat je kookkunst van een acceptabel niveau is.'
'Als je het niet vertrouwt, kun je me zo direct in de keuken bijstaan. Je werkkleding heb je nog aan,' reageerde hij fel. Anne keek van haar gastheer op, die van leer wist te trekken.
'Ik trek even iets comfortabels aan. Kijk jij maar alvast wat ik heb voorbereid,' hernam hij en hij begaf zich naar boven. Ze wandelde naar de keuken en neusde er rond. Op het aanrecht zag ze verschillende gesneden groenten, kaas, vis, eieren en vierkantjes deeg liggen. Vlak daarboven ontdekte ze een rek met tientallen potjes kruiden. In een kast vond ze bakken vol met gedroogde paddestoelen. Ernaast rijen glazen potten marmelade, elk met een ander soort fruit, zo vertelde het etiket. De ijzeren kookplaten boven het vuur waren gloeiend heet en klaar voor gebruik.
Tjonge jonge, hij maakt er wel werk van, besefte ze, ik geloof dat ik hem heb onderschat. Michel keerde in makkelijke kleding terug en had een stapel papieren in de hand.
'Kijk, mijn kookboek La Traite, essentieel voor allen die meer te weten willen komen over exquise recepten.'
'Heb jij een kookboek geschreven?'
'Ja, maar het is nog niet gepubliceerd. Maar steek nu de handen eens uit de mouwen. Zie je die plakjes bladerdeeg daar? Bestrijk ze met een losgeklopt ei en bestrooi ze daarna met sesamzaad. Intussen ga ik de bakplaat invetten.' En terwijl ze aan de slag gingen, spraken ze over elkanders leven.
'Mis je je vorige vrouw nog?' vroeg ze later.
'Soms, ze zal altijd in mijn hart blijven. De roomkaas zachtjes roeren, Anne, en meng er wat fijngehakte kappertjes door.'
'Zijn dit de kappertjes?'
'Een keukenprinses ben je niet, hè?' Ondertussen bakte hij het bladerdeeg goudbruin en goot er de gesmolten kaassaus met groenten over. Zijn bezoek keek gebiologeerd toe hoe hij daar weer stukjes gerookte zalm oplegde en het geheel afdekte met vierkantjes knapperig gebakken bladerdeeg.'
'Klaar, we kunnen aan tafel!'
'Ik wist niet dat dit bestond,' zei ze met grote ogen.
'Bovennatuurlijk,' grinnikte hij en met de borden in de hand liepen ze naar de woonkamer, waar hij voor hen beiden een glas rode wijn inschonk.
'Het smaakt werkelijk fantastisch,' liet ze aan tafel weten. 'Het spijt me dat ik je niet op waarde heb ingeschat.'
'Dank je wel. Jij kunt weer goed paardrijden. Je hebt trouwens een schitterend paard; je moet wel rijk zijn.'
'Mijn man had een zoutfabriek.'
'Aha, vandaar je opmerking over zout, toen we in de Camargue rondreden. Dat moet dan een goedlopend bedrijf zijn geweest.'
'Zeker, er wordt naar allerlei landen geëxporteerd. De Camargue is het grootste zoutwingebied van Europa. Maar mijn voormalige echtgenoot Jacques is in zijn eigen fabriek dodelijk verongelukt en ik zag me gedwongen de zaak te verkopen.'
'Triest,' zei hij.
'Wat is dat voor een typisch krukje?' vroeg Anne, die het vreemde voorwerp in een hoek van de kamer zag staan. Hij stond op en pakte de koperen driepoot.
'Het is een occult instrument dat ik gebruik om te mediteren.'
'Je bent wel een rare snuiter,' lachte ze. Plotseling ontstak er een vlam uit het niets om in dezelfde hoek weer even snel te doven.
'Non de jus!' riep hij uit.
'Wat was dat nou?' vroeg Anne geschrokken.
'Ik weet 't niet. Het leek wel een toverslag...' Ze lieten het een moment bezinken en aten toen maar verder.
'Kom je mee? Dan gaan we de Pommes Dauphines klaarmaken,' zei hij na de entree en ze begaven zich weer naar de keuken. Een half uurtje later stond de hoofdschotel dampend op tafel.
'Heb je vaak voor je man gekookt?' vroeg hij, terwijl hij nootmuskaat over het gerecht strooide.
'Nee, niet echt. Ik denk dat ik daar te nonchalant voor ben. Maar wat niet is kan nog komen.'
'Als je wilt, leer ik je de fijne kneepjes wel,' stelde hij voor. Toen het aardappelgerecht genuttigd was, had de chef nog een heerlijk dessert in petto: halve perziken met slagroom en geschaafde amandelen.
'Als je indruk op me wilt maken, dan is dat zeker gelukt,' prees Anne hem, nadat ze van het toetje geproefd had. Na het eten ruimden ze de tafel af en deden nog gezellig samen de afwas in de keuken.
'Mooi, die potten met marmelade,' zei ze, terwijl ze de afgedroogde drinkglazen wegzette.
'Dat is jam. In marmelade zitten stukjes schil, in jam niet,' legde hij uit.
'Oh, dat wist ik niet. Hoe maak je dat eigenlijk?'
'Wassen, drogen, koken en suiker toevoegen.'
'Is het zo eenvoudig?' Michel knikte.
'Nou, het wordt tijd dat ik mijn vrouwelijke kant ga ontwikkelen,' zei Anne toen.
'Je bent goed zoals je bent,' en ze lieten de keuken proper achter.
'Het was een heerlijke middag, maar het wordt nu tijd dat ik naar huis toe ga,' zei ze ten slotte.
'Je kunt hier blijven slapen. Het is een heel eind terug en binnen het uur wordt het donker.' Anne bedankte vriendelijk; ze zei dat haar raspaard er slechts een half uur over zou doen. Bij de voordeur kuste ze hem onverwachts op de mond en ze vertrok toen hij amper bekomen was. Glimlachend liep hij terug de woonkamer in, wierp nog een blik op de plek waar de mysterieuze vlam verschenen was, en genoot nog een tijdje na van de ontmoeting. Toen waggelde hij naar boven en kroop tevreden onder de lakens.

Er tekende zich een smalle, hoge berg af met een steile kant en de top deed denken aan een geopende kelk. Op de rand ervan lag een kasteel in de vorm van een schip, dat klaar leek om weg te varen. Iets lager beklom iemand een rotsachtig pad naar de burcht, die een verbinding leek tussen hemel en aarde. Hij naderde een aantal soldaten, die bij de ingang van de vesting op wacht stonden.
'Nostradamus, ben je daar eindelijk?' riep een jongeman met stralenkrans, die zich bij de wachters voegde. De dromer stond met de mond vol tanden en de man las zijn vertwijfeling.
'Je bent in een hogere staat van bewustzijn beland. Je hebt de juiste vrouw ontmoet,' maakte hij duidelijk.
'Hoe dat zo?' vroeg Michel.
'Je bent door haar ontwaakt!' De bezoeker liet het even op zich inwerken.
'Maar waar kent u mij dan van?' vroeg hij toen.
'We volgen je al een tijdje op aarde,' antwoordde de man, die Tristan heette. 'Is je geest eenmaal tot deze hogere regionen doorgedrongen, dan wordt je vanzelf lid van de Broeders van het Licht. Hosanna in Excelsis. Maar genoeg gedraald, kom mee. We zijn de Manisola aan het voorbereiden en ik zal je laten zien wat we aan het bekokstoven zijn.' Ze betraden het kasteel, dat een heleboel zalen en gangen bezat en dat naar de zonnestanden was gebouwd. Ze passeerden er grote groepen doorschijnende mensen, die ijverig bezig waren met het komende festijn.
'Kijk, de druïdenzaal, vol met bloemen,' zei Tristan, die tegelijk de menigte doorzocht. 'Ik wil je aan mijn vrienden voorstellen, maar ik zie ze niet zo snel.'
'Zijn deze mensen hier net als ik allemaal ontwaakt?' vroeg Michel.
'Nee, het zijn dienaren. Er zijn slechts weinigen zoals jij en ik,' en hij hield iemand aan. 'Waar is Isola?'
'Ik zou het niet weten,' zei de voorbijganger terug.
'Als je haar ziet, zeg dan dat we een bijzondere gast hebben. Oh ja, je hulp is nodig bij het banket.' Vervolgens begaven de twee zich naar de hoofdzaal, waar dranken, lekkernijen en bloemstukken op een grote, ronde tafel werden neergezet. De priesters zorgden ervoor dat alles vlekkeloos verliep.
'Het doet hier denken aan de laatste kathaarse vesting op de Montségur,' merkte Michel op.
'Dat is het ook,' beaamde Tristan.
'Maar dat betekent dat iedereen die hier rondloopt straks gedood gaat worden door de kerkelijke legers,' concludeerde de bezoeker.
'Nee hoor, je bent niet in de twaalfde eeuw na Christus beland. Tijd bestaat hier niet en onze rituele feesten en inwijdingen gaan eeuwig door. Echt, het is hier prudent. Daar is Isola!' Een engelachtige vrouw met lang, blond haar en blauwe ogen kwam in de bedrijvigheid tevoorschijn. Ze had een hemelse uitstraling, het toonbeeld van zuiverheid.
'Isola, ik wil je aan Nostradamus voorstellen.'
'Wat fijn om weer een heldere geest te mogen ontmoeten,' zei ze. Na de kennismaking werd de nieuweling verder rondgeleid en ze bezochten de Occitaanse zaal, die over een indrukwekkend vloermozaïek beschikte. In het midden ervan was een afbeelding van Maria Magdalena, samen met een duif op een maansikkel, en daaronder kronkelde een slang met een appel in zijn bek. Terwijl Michel het allemaal in zich opnam, trokken gelovigen met schalen frambozen, bramen, bosbessen en andere soorten fruit langs hen voorbij. Daarna liep het stel naar buiten toe om op de omliggende terrassen op de opening van het feest te wachten. Ondertussen bekeken ze de uitlopers van de Pyreneeën.
'Ik heb zojuist mensen uit alle werelddelen gezien,' zei Michel. 'Behoren zij allemaal tot de kathaarse gemeenschap?'
'Het is eerder een gnostisch genootschap,' gaf Tristan aan, 'dat katholieke, protestantse, joodse, islamitische en andere gelovigen verwelkomt. Ook tot inzicht gekomen heidenen worden hier hartelijk ontvangen.'
'Zo te zien geeft dat geen problemen...'
'Hier niet, maar onze vrije, spirituele opvattingen worden elders vaak als een bedreiging gezien en dat was ook de reden waarom de laatste in het openbaar tredende gnostici massaal vermoord zijn. Maar ze lieten slechts een lichamelijk omhulsel achter.'
'Waarom zijn ze toen niet gevlucht?' vroeg Michel door.
'Onze voorgangers hebben indertijd de heilige belofte afgelegd om zich, na een verovering van de berg, door de kerkelijke legers te laten doden, in de wetenschap dat hun bevrijde ziel zich naar de hogere werelden zou togen, waar God zich in de meest pure vorm manifesteert.
'Ik zou voor het leven kiezen.'
'We zijn niet allemaal uit hetzelfde hout gesneden. De zelfopoffering was bedoeld om deze eeuwige plek te creëren. Een plaats waar wij in het onzichtbare ons heilig werk kunnen voortzetten. Zonder hen was dit niet mogelijk geweest,' lichtte Tristan toe.
'Is zelfopoffering niet te veel gevraagd?'
'Het was een vrijwillige keuze. Zo heb ook ik beloofd me niet door aardse zaken te laten knechten. Maar kom, ik zie dat het feest gaat beginnen.' Ze liepen terug naar de hoofdzaal, waar honderden ingewijden en volgelingen al zaten te wachten.
'Zie je die man daar?' vroeg Tristan. 'Dat is Parsival, een bijzonder wezen. Ik zal je aan hem voorstellen.' Ze begaven zich naar de man met het heroïsch uiterlijk.
'De eerste keer in de graalburcht?' vroeg deze.
'Ja, en het is een openbaring voor me,' bekende Michel.
'In het begin verliet ik deze burcht even onwetend als toen ik was gekomen,' waarschuwde Parsival.
'Ik neem aan dat u de weg inmiddels hebt gevonden.'
'Zeker, maar ik moest eerst nog een leven vol ontberingen leiden.'
'U komt uit de riddertijd,' vervolgde de nieuweling. 'In die periode zocht men altijd naar de heilige graal. Heeft iemand de beker nog gevonden?'
'Velen hebben hem gevonden. De graal staat namelijk symbool voor de ruimte waarin God de bouwstoffen van de schepping met zonlicht heeft vermengd. De zoekende ziel moet zich door dit vat vol tegenstrijdigheden heen zien te vechten om het eeuwige leven te bereiken.'
'Ik bedoel, heeft er ooit een tastbare graal bestaan?'
'Wacht maar af,' zei Parsival met een lachlichtje. Toen verzocht een van de opperpriesters aan de ronde tafel om ieders aandacht en hij nam het woord.
'Wij vieren de Manisola ter ere van Jezus Christus, de zoon van God, en zijn vrouw Maria Magdalena, de priesteres van de godin Isis. Met dit feest herdenken we het laatste avondmaal, waar Jezus uit de beker met het heilige levenswater heeft gedronken. Na zijn kruisiging werd zijn heilige bloed door Jozef van Arimathea in diezelfde beker opgevangen. De dienaar gaf hem door aan Maria Magdalena, die hem op haar reis meenam. Ze droeg tevens het kind van Jezus en vertrok om veiligheidsredenen naar Frankrijk. Uiteindelijk baarde ze het kind hier op de Montségur. Wij katharen zijn dan ook de nazaten van Jezus Christus. Wij zijn de hoeders van het erfgoed van de esseense cultus, waar Jezus en Maria Magdalena uit voortkwamen. Ze stichtte daarna mysteriescholen in de Languedoc; waar zij kwam, ontstonden spontaan geneeskrachtige bronnen. Al eeuwenlang vieren wij steevast de Manisola, maar deze keer is het een bijzonder jaar. Een ziel is op eigen kracht tot ons gekomen en voor dit heuglijke feit hebben we de heilige graal van stal gehaald. We hebben een drank bereid, die hem toegang kan verschaffen tot het allerhoogste.' Een dienaar gaf de priester de gevulde graal aan.
'Nostradamus, wilt u alsjeblieft naar voren komen?' vroeg hij toen. De nieuweling stapte verwonderd naar de ronde tafel.
'U bent ons lichtbaken op aarde en wij wensen u alle kracht en wijsheid toe om uw missie te volbrengen,' sprak de priester verder en hij reikte hem de beker aan. Michel nam een slok uit de heilige graal en een zinderende energie nam van hem bezit.
'Leve Nostradamus!' oreerde de zaal in jubelstemming.
'Maak er nu een leuk feest van,' sloot de priester zijn rede af. Harpisten begonnen hemelse muziek te spelen en de feestgangers verspreidden zich door de versierde zalen, waar ze van de uitgestalde delicatessen genoten. Sommige aanwezigen verkozen de stilte en begaven zich naar de omringende terrassen. De weersomstandigheden werkten mee en zo wist iedereen zich te vermaken.
Het was laat in de avond, toen er plotseling door de bewakers alarm werd geslagen. Het kasteel werd bij verrassing bestormd en de op wacht staande soldaten werden door een regen van pijlen getroffen. Er ontstond paniek en de volgelingen renden bij gebrek aan orders alle kanten op. Sommigen struikelden over knielende geestelijken, die in hun lot wilden berusten. Enkele hogepriesters, met in het kielzog een horde bewakers, schoten Parsival en Tristan aan.
'We willen dat jullie het geloof doorgeven. Snel, er is een vluchtroute!'
'Maar we hebben beloofd om hier eeuwig te blijven,' verweerden ze zich. De hogepriesters bleven echter wijzen op de noodzaak van de overlevering van hun geloof. Het gemeenschappelijk belang stond voorop en door de hoge druk en de chaotische toestand gaven Parsival en Tristan schoorvoetend toe. Michel had alles in ogenschouw genomen, totdat ze ook hem toeriepen.
'Alstublieft, gaat u mee. U bent van groot belang. U gaat namelijk de mensheid een spiegel voorhouden van wat haar toekomt, opdat ogen geopend worden en het licht kan zegevieren.' Hij wist niet anders dan ermee in te stemmen. Het hoofd van de bewaking kreeg de opdracht de hoeders van het geloof de weg te wijzen en zonodig barricades achter hen op te werpen.
'Vaarwel en houdt ons gedachtegoed in stand.' De hogepriesters namen afscheid en keken met lede ogen toe.
'Kom, er is geen tijd meer te verliezen,' beval de bewaker en hij sleurde hen mee naar een afgelegen gedeelte. Tegelijk deed een grote knal het kasteel op zijn grondvesten schudden. De vijandelijke legers hadden in het voorportaal een bres weten te slaan en kathaarse soldaten moesten in allerijl de centrale zaal afgrendelen. De achtergebleven volgelingen werden in de veroverde ruimte tot en met de laatste man afgeslacht. Intussen werden de drie uitverkorenen naar een overloop gebracht, die met uitzonderlijk mooi cederhout was afgewerkt. De bewaker bleef daar pardoes stilstaan en keek heel bewust naar de houten panelen, die uit diverse ruiten waren opgebouwd. Zorgvuldig begon hij de naden met zijn vingers af te tasten. Op een bepaalde plek bleef zijn hand rusten en toen duwde hij de ruit naar binnen weg. Een geheim vak draaide open.
'Naar binnen,' gebood hij het groepje. Tristan, Parsival en Michel betraden haastig de verborgen sluiproute. De bewaker volgde hen op de voet en sloot als laatste de houten ruit onzichtbaar achter zich af. Hij stak vervolgens een licht aan en een smalle doorgang kwam in beeld.
'Doorlopen, we hebben niet veel tijd,' sommeerde hij, waarop het groepje zich voortijlde.
'Aan het einde links,' fluisterde hij even later. De volgende gang liep uiteindelijk dood; een manshoge bal met een gat erin werd zichtbaar. De gevechten in en rond het kasteel waren tot hier hoorbaar en Tristan overwoog een moment om achter te blijven.
'Kruip erin,' beval de bewaker streng, die hem zag twijfelen. Ze stapten alledrie gehoorzaam het reddingstoestel in, maar hadden geen flauw benul met wat er stond te gebeuren. Het van twijgen en dierenhuiden gemaakte omhulsel was precies voor drie volwassenen ontworpen en ieder zocht er zijn plek.
'Er zijn handvatten en voetsteunen waaraan u zich kunt vasthouden,' zei de bewaker. Ze hadden zich nog maar amper genesteld, toen hij de capsule langzaam maar gestaag in beweging bracht. De bal begon uit eigen kracht verder te rollen en de ondergrondse tunnel kreeg al snel een verticale baan. Het voertuig kwam in een vrije val terecht en de inzittenden vielen in een paar seconden honderden meters omlaag, totdat de bal met veel horten en stoten ondergrond kreeg en verschrikkelijk hard begon te tollen. Nostradamus verloor het bewustzijn en wist niet te herstellen. In de schemerzone vloog de tijd voorbij en er was alles. Of stond de tijd stil en was er niets? Aan het einde van de tunnel zag hij licht. Met onwaarschijnlijk veel vormen en minstens zo veel kleuren.
'Ik ben bij je,' hoorde hij iemand zeggen. Machteloos opende hij zijn ogen en tot zijn grote verrassing ontwaarde hij het gezicht van Anne. Ondersteboven en met haar goudbruine haar tot vlak aan zijn neus.
'Ik heb je uren vastgehouden,' hernam ze bezorgd, 'je was ijskoud, ik dacht dat je dood was.' Michel kneep in zijn vingers om zich zekerheid te verschaffen. Ja, hij was op aarde teruggekeerd.
'Hoe ben je…' maar hij wist door zwakte zijn zin niet af te maken. Ze begreep hem en maakte het hem duidelijk.
'Thuis werd ik in het holst van de nacht klaarwakker en iets vertelde me dat je me dringend nodig had. Ik heb ogenblikkelijk mijn paard van stal gehaald en ben naar je toe gereden. Toen ik je slaapkamer in rende en je bewegingloos naast het bed zag liggen, was ik bang dat ik te laat gekomen was. Maar je leefde gelukkig nog. Ik heb je daarna in bed weten te hijsen en je lichaam opgewarmd, totdat je weer een normale temperatuur had.'
'Oh, lieve Anne, dank…' maar ze onderbrak hem door haar vingers op zijn lippen te leggen.
'Niks te danken,' en ze gaf hem een zoen.
Het is inderdaad de juiste vrouw, dacht hij ontroerd en zijn ogen traanden van blijdschap. Toen hij haar teder aanraakte, begon ineens de stalen kooi om zijn hart te smelten. Het oude zeer van jaren verdween in een handomdraai en zijn ziel raakte in vervoering.
'Wil je met me trouwen?' vroeg hij stralend. Anne glimlachte van oor tot oor en zei meteen ja.
Liefde tussen man en vrouw, de mooiste liefde die er is, ging er door hem heen en ze vielen in elkaars armen in slaap.
Michel werd wat laat in de ochtend wakker en constateerde dat hij alleen in bed lag.
Zou ze er nog zijn? vroeg hij zich zenuwachtig af. Hij sprong uit bed, knoopte een doek om zijn middel en liep haastig de trap af.
'Anne, ben je er nog?'
'Ja, hier!'
Hij ging de keuken in en tot zijn verbazing stonden er allerlei laden en potten open.
'Ik moest wat eten,' legde ze met een bakje in de hand uit. 'Je kunt die omslagdoek trouwens rustig af laten. Ik heb wel vaker een blote man gezien,' en ze at door. Hij keek straf voor zich uit.
'Ik zie dat je mijn truffel ook naar binnen hebt gewerkt,' zei hij toen.
'Je bedoelt dat zwarte ding dat een beetje muf rook?'
'Ja. Dat zwarte ding is anders goud waard en heel moeilijk verkrijgbaar.'
'Oh, sorry, dat wist ik niet.'
'Geeft niet, ik vind wel weer een nieuwe.'
Was dit nu die juiste vrouw? Een vrouw met vreetbuien! dacht hij schamper.
'Zei je wat?'
'Nee, niks,' en hij nam de schade verder op.




Hoofdstuk 6



Een kapitein van het geweldige Duitsland
Brengt het tot koning der koningen
Met foute hulp en steun van Pannonia
Zijn opstand veroorzaakt stromen bloed


Na een bescheiden huwelijksfeest verhuisde Anne vanuit Istres naar Salon de Provence, waar ze bij Michel introk, die in een lekkend pand met veel vergane glorie woonde. Het achterstallig onderhoud zou ze voor haar rekening nemen en haar hengst Salé kreeg onderdak in de stallen van de bevriende buurman. Nadat ze haar spulletjes - op de eerste dag samen - een plek in huis had gegeven, sprong ze ineens wellustig op haar echtgenoot.
'Hé, ik ben een tengere geleerde, geen slagersjongen,' zei hij, terwijl ze hem tussen haar benen had geklemd.
'Mijn ex-man had hier anders geen moeite mee,' antwoordde ze verbaasd.
'Ik ben je ex niet. Maar kom hier...' en ze trokken elkaars kleding verder uit.
Geleidelijk wenden de twee aan elkaar en Anne raakte zwanger. Voor de eerste keer. Zo begon hun leven op rolletjes te lopen en toen Anne, maanden later, de cosmetische producten van haar echtgenoot aan de man probeerde te brengen, werd Paul geboren. Zijn kloeke moeder werd nu heel de dag op haar vrouwelijke kant aangesproken en het deed haar zichtbaar goed; ze werd zachter. Na zeven magere jaren waren duidelijk de vette aangebroken, en elk Venusjaar zou er een telg bijkomen.
Op een dag, toen het derde kind geboren was, zat Nostradamus op de veranda achter het huis van de lente te genieten. Overal bloeiden en geurden de planten, en de bomen zaten vol fluitende vogels. Bij de aangrenzende tuintjes met zoemende bijen liep een buurmeisje langs. Hij zag aan haar mandje dat ze hout ging sprokkelen in het nabijgelegen bos.
'Dag jonge meid,' riep hij haar toe. Het meisje kende hem goed en groette beleefd terug. Ondertussen was Anne met enkele werklieden de zolder tot studeerkamer aan het herinrichten. Ze had manlief zover gekregen zich alleen nog bezig te houden met zaken die hem aan 't hart gingen. En dat was het voorspellen van de toekomst in combinatie met de astrologie. Haar financiële vermogen stelde hem in staat dat onbekommerd te doen; het behandelen van patiënten enkel voor broodwinning had hij op haar aandringen gestaakt. Michel boog zich over zijn occulte boeken heen, terwijl het zonnetje lekker op zijn rug scheen. Hij was bezig met voorspellingen die het komende jaar stonden te gebeuren. Plok! Een erwt schoot met hoge snelheid tegen zijn voorhoofd en viel op de bladzijde die hij aan het beschrijven was.
'Nu is het wel genoeg geweest, Paul,' waarschuwde hij zijn zoon, die met een zelfgemaakte katapult aan het spelen was. Naast het fertiele huwelijk wierpen zijn creatieve inspanningen ook de eerste vruchten af. Hij was onlangs door de gemeenteraad gevraagd om een Latijnse inscriptie te maken voor de openbare fontein bij het Château de l'Empéri. En zijn kookboek La traite des fardemens et confitures was eindelijk door Volant in Lyon uitgegeven. Hij richtte zich deze ochtend op zijn eerste almanak met algemene profetieën in dichtvorm, die betrekking hadden op heel Europa. Twaalf kwatrijnen zou het werk gaan beslaan. Vanmiddag zou zijn broer Antoine, die de rampzalige overstromingen van weleer had overleefd, langskomen om weer eens bij te praten. Antoine collecteerde al enige tijd belasting in hun geboortestadje Saint Rémy, dat niet ver van Salon lag.
'Michel,' riep Anne opeens vanuit het venster boven, 'kom je even kijken?' Haar echtgenoot haastte zich naar binnen, maar in de woonkamer moest hij oppassen niet over zijn kroost te struikelen. César lag er op de grond en werd door zijn broertje en zusje in de wurggreep gehouden. Tegelijkertijd werd de jongen zowat dood gekieteld. Vader nam de hindernis en klom naar de bovenste verdieping, waar hij de op maat gemaakte boekenkasten bekeek, waarin zijn groene, rode, gele en blauwe flessen uit voorzorg waren weggezet. Het nieuwe luxe bureau stond aan het vergrote vensterluik, zodat de geleerde straks de nodige frisse lucht zou krijgen. Voorts waren er speciale kisten voor zijn meetkundige materialen aangeschaft en het in Marseille gekochte kijkglas stond netjes onder het geijkte dakluik opgesteld.
'Aha, zo op het eerste gezicht mag ik niet klagen. Mijn maatbekers hebben het gelukkig allemaal overleefd,' reageerde Michel tevreden en hij begon het timmerwerk eens goed te inspecteren.
'Ik heb nog wel een paar aanmerkingen,' zei hij even later tegen zijn vrouw en hij legde de werklui uit wat er exact veranderd moest worden. De kerkklokken sloegen inmiddels twaalf en ze hoorden Antoine roepen. Hij was wederom stipt op tijd om samen het middageten te delen. De broers hadden na de waterramp geregeld contact met elkaar. Anne haastte zich naar beneden om de tafel op de veranda te dekken, voordat de dienstmeid met de pannen kwam aanzetten.
'Ga zitten Antoine,' verzocht Michel, terwijl hij een extra stoel pakte. Madeleine en César moesten naast hun oom zitten en moeder verdeelde intussen de varkensworstjes.
'Die zijn niet kosjer,' merkte Antoine aan.
'Ik ook niet,' zei zijn oudste broer leuk.
'Paul, eten!' riep Anne voor de derde keer. Paul wilde maar niet komen en loerde vanuit een boom naar de indringer. Hij hield de belastingman nauwlettend in de gaten. Onder het genot van de worstjes met groenten vertelden de broers elkaar het plaatselijke nieuws.
'Alles verder goed met Bertrand?' vroeg Michel.
'Heel goed zelfs: Bertrand is zijn eigen bouwbedrijfje begonnen.'
'Mooi. Wat jammer dat Anne net de zolder heeft laten verbouwen. Anders had hij het kunnen doen.' Antoine wilde erom lachen, maar hield zich in.
'Welke vrouw houdt zich nu bezig met een verbouwing?' fluisterde hij tegen zijn broer.
'Ik heb je wel gehoord hoor,' zei Anne onverwachts. 'Moet je nu of straks een draai om je oren?'
'Sorry Anne, het was niet slecht bedoeld.'
'We vullen elkaar juist uitstekend aan,' bekende Michel. 'Zij is de man en ik ben de vrouw.'
'Jullie zijn een uitzonderlijk stel,' mompelde Antoine, die de kluts kwijt was.
'Mijn echtgenoot spreekt wel voor zichzelf, want ik voel me honderd procent vrouw. Madeleine, niet zo snaaien!' schreeuwde ze ineens. Na de lompe uithaal naar hun dochter moest ook Michel even lachen.
'Je hebt gelijk, Antoine. Je moet met mijn vrouw geen ruzie krijgen. Ik zal haar nog nodig moeten bijschaven.'
'Wacht eens even mijnheer de eeuwige student,' protesteerde ze heftig, 'ik stel jou in staat furore te maken. Dus wie schaaft er nou wie bij?' en ze liep boos van tafel.
'Het temmen van dat paardje zal je nog flink wat moeite gaan kosten,' voorspelde Antoine, die er weer vandoor moest. Na zijn broer uitgelaten te hebben, zette Michel zich buiten in zijn werkstoel neer en hij nam zijn schrijfboeken opnieuw ter hand. Op het einde van de middag kwam datzelfde meisje van die ochtend naar huis toegelopen en haar mandje zat vol sprokkelhout.
Verhip, ze lijkt wel meer volwassen te zijn geworden, vond hij.
'Dag jongedame,' riep hij haar toe. Ze stak haar hand op en giebelde om het woord 'jongedame,' omdat hij die ochtend nog 'jonge meid' had gebruikt. Het werd fris en hij besloot nog een keer de verbouwde studeerkamer te bekijken, maar binnen liep hij zijn vrouw tegen het lijf. Die was nog laaiend over zijn laatdunkende opmerking van die middag. Spijtbetuigingen hielpen niet en die dag vlogen de pannen door het huis, van Annes kant wel te verstaan.

Op een nacht ontdekte de wetenschapper met zijn nieuwe kijkglas een groep vallende sterren. In astrologische kringen was het al lang bekend dat stukken steen of ijzer soms de atmosfeer van de aarde binnendringen en daarbij gedeeltelijk verbranden, maar deze inzichten werden niet door de maatschappij erkend. Michel had eens gelezen dat in een ver mythisch verleden meteorieten met een diameter van enkele kilometers enorme kraters in de aardkloot hadden geslagen en dat het klimaat hierdoor ingrijpend veranderd zou zijn. Hij zou over deze kwestie een brief aan de gouverneur van de Provence schrijven. Die stond bekend om zijn ruimdenkendheid en interesse voor de wetenschap.
De gouverneur zal zeker een verhandeling van een gerespecteerd astroloog lezen, vermoedde hij, en kennis moet nou eenmaal worden gedeeld. Maar in zijn achterhoofd broeide het idee dat de landvoogd hem wel eens verder kon helpen. Zijn inschatting was juist. De gouverneur schreef hem een brief terug, waarin hij hem bedankte voor zijn wetenschappelijke inzichten. Daarnaast maakte hij er melding van dat hij zeer gecharmeerd was van zijn almanak met voorspellingen voor het komende jaar 1555, die onlangs in Lyon was uitgegeven. Hij had de voorspellingen in hoge kring aanbevolen en het werk vond nu gretig aftrek in heel Frankrijk. De deur naar het succes was geopend en Michel besloot ieder jaar een almanak uit te geven. Hij bedacht ook een meer eerzame taak: het achterhalen van de toekomst van de mensheid voor de komende millennia. Dit werk zou toepasselijk De Profetieën gaan heten. Tevreden met deze gang van zaken daalde hij op een dag naar de huiskamer af en zag daar zijn vrouw uitdagend op de eettafel staan. Verbaasd keek hij om zich heen om te zien wat er aan de hand was. Madeleine zat op een kast, Paul hing aan het plafond en César liep op zijn knieën.
'Is dit een complot?' vroeg hij.
'Nee, we doen een spel, doe ook mee!' riep Anne enthousiast.
'Waarmee dan?'
'Voetje van de vloer.'
'Ik hou mijn voeten liever op de vloer.'
'Wat ben jij toch altijd serieus,' verzuchtte ze. Haar man reageerde verongelijkt en keerde in zijn studeerkamer terug, waar altijd wel wat te doen was, al was het maar wat spullen ordenen. Daar bekeek hij melancholiek het kijkglas en dacht aan zijn grootvader Jean, die hem zo goed aanvoelde, toen Anne zijn kamer binnenkwam.
'Lieve man, ik hou van je, ook al botsen we regelmatig met elkaar. Mijn liefde voor jou verandert echt niet. Maar probeer me nu eens uit te leggen, wat er zich in die bol van jou allemaal afspeelt,' en ze ging erbij zitten.
'Misschien geloof je het niet, maar ik heb een missie,' begon hij aarzelend. 'Mijn levenstaak is het de mensheid te laten zien welke rampen haar toekomen, als zij niet tot het ware inzicht komt. En mijn weg is loodzwaar.'
'Nou, dit zal dan die kloof tussen ons wel verklaren, maar het zij zo,' reageerde ze begripvol. 'Ik wist trouwens niet dat je werk zo zwaar was, vandaar dat je niet met de kinderen kunt spelen.
'Ik ontvang continu akelige beelden,' zei hij verder.
'Jemig. Maar is die missie belangrijker dan je gezin?' en daarmee raakte ze een gevoelige snaar. Hij staarde haar met enige schaamte aan.
'Misschien wel. Als mijn taak volbracht is, hoop ik weer een te zijn met God,' biechtte hij op.
'Dat willen we allemaal wel,' en ze aaide over zijn wang en liet hem met rust.

Nostradamus voltooide spoedig het eerste deel van De Profetieën door zijn jarenlang verzamelde dromen en visioenen van zijn dagboeken te gebruiken. Hij had er de belangrijkste voorspellingen uit gevist en ze met behulp van de astrologie gedateerd, gerangschikt en geherinterpreteerd. Elk hoofdstuk noemde hij een centurie. Niet om er een eeuw mee aan te duiden, maar omdat er honderd kwatrijnen in zaten. De vierregelige verzen waren voor ieder ander vrijwel onleesbaar door de obscure stijl en doordat het een mengeling van Frans, Provençaals, Grieks en Latijn was. Het was hard nodig z'n boodschappen op die manier te verdoezelen, want de inquisitie kreeg de touwtjes meer en meer in handen. En hij wilde onder geen beding opnieuw veroordeeld worden voor godslastering of magische praktijken terwijl hij een gezin had.
Laat ik voor de zekerheid de volgorde van de kwatrijnen ook maar door elkaar gooien, bedacht hij en hij spreidde de volgeschreven papieren over zijn bureau uit.
Mijn geheimen mogen alleen door een ingewijde ontsluierd worden, of pas ontraadseld worden, wanneer de voorspelling eenmaal is geschied, en hij hutselde alles door elkaar. Na een willekeurige volgorde gemaakt te hebben, legde hij het werk terzijde. Na een tijdje navelstaren plaatste hij zuchtend zijn handen in het haar. Hij dacht nog dikwijls over zijn inwijding in de hogere wereld met Tristan en Parsival na, en hij wilde maar al te graag weten of zij de val van de Montségur hadden overleefd. Het werd hem wederom niet helder voor de geest. Er kwam maar geen antwoord vanuit de bron en zijn lucide dromen hielpen hem ook niet verder. Enkele weken later stonden de planeten echter in een unieke stand en wellicht zou die ditmaal uitkomst bieden. Op zolder haalde de bevlogen mysticus het koperen krukje met de geheimzinnige kracht tevoorschijn. Het metrisch ontworpen stoeltje stond bij een bepaalde hoek in verbinding met de hemellichamen. Nadat hij de juiste stelling had bepaald, plaatste hij er een bakje water bij op de grond. In kleermakerszit bevochtigde hij de voeten en het zitvlak van de driepoot en legde er daarna zijn hoofd op. Toen sloot hij zijn ogen en concentreerde zich eens te meer op de gevallen engelen, die hun belofte om niet te vluchten hadden gebroken. Warempel, de tijd bleek rijp te zijn en schoksgewijs trad hij uit zijn lichaam.

Hij zweefde in een residentieel vertrek, waar een prachtige kroonluchter hing die niet kon bestaan in zijn tijd. De kaarsen van de betoverende lamp waren namelijk niet van was, maar het waren glazen bolletjes die vanzelf opflikkerden. In de kamer met het hoge plafond stonden verder canapés van rode pluche, mahoniehouten salontafeltjes, nog meer ingenieuze lampen en een reusachtige spiegel met een vergulde lijst. Er klonk grootse orkestmuziek met zangkoren, maar vreemd genoeg was er geen muzikant te bekennen. Het geluid bleek uit een doos te komen waarin een ronde, zwarte plaat vanzelf bleef draaien. In een hoek van het vertrek was een levensgroot beeld van een held te bewonderen. Het marmeren beeld was met technische perfectie gemaakt en het stelde een gespierde halfgod voor die trots een zwaard omhooghield en victorie uitstraalde.
De kunstenaar moet een obsessie hebben voor de overwinning; het pathos druipt ervan af, dacht Michel. Een man in uniform met kort opgeschoren haar trad de kamer binnen en liep naar de doos met de hoorn. Het bombastische muziekstuk werd herhaald en terwijl de man in emotie zwolg, riep hij iemand in het Duits.
'Magda, waar ben je?' Hij hoorde maar niets en riep nog een keer extra hard, waarna er een reactie kwam.
'Ik ben hier!' klonk een stem ver weg en een ogenblik later kwam zijn vrouw de kamer in gelopen.
'Dit is nu al de zesde keer dat je de opera Parsival van Wagner draait,' klaagde ze, waarop haar man vlug de plaat afzette. Intussen realiseerde de insluiper zich dat deze verheerlijking van de riddertijd de reden was om hier te geraken en dat er opnieuw geen sprake was van een taalbarrière.
'Helga heeft buikpijn,' vervolgde Magda, 'maar waarom riep je me?'
'Ik heb het razend druk de komende weken. Ik heb daarom geen tijd voor de kinderen en ik wil dat je me helpt met mijn rede voor de buitenlandse pers,' en Joseph pakte een map.
'Goed schat. Wist jij trouwens dat vierhonderd jaar geleden iemand heeft voorspeld dat wij in 1939 met Frankrijk en Engeland in oorlog raken over Polen?'
'Je hebt dus Kritzingers boek Mysterien von Sonne und Seele gelezen met de interpretaties van het origineel,' veronderstelde hij. Ze bevestigde het.
'Afijn, enkele leden van de Partij hebben mij erop gewezen, maar ik heb het nog niet gelezen.' Zijn vrouw toverde intussen het geruchtmakende boek uit 1922 tevoorschijn en bladerde naar een specifieke passage.
'Kijk, dit kwatrijn lijkt zowel de oorzaak als de datum van de oorlog te voorspellen. Je kunt het controleren aan de hand van het Franse origineel, dat eronder vermeld staat,' zei ze.
'Frans?! We staan op het punt Frankrijk aan te vallen! Je denkt toch niet dat ik me ga verdiepen in die taal?' Maar Joseph liet zich overhalen de Duitstalige versie te lezen en het paar boog zich over het boek heen, terwijl de auteur hen van boven gadesloeg.
Het moet van mijn hand zijn, concludeerde die laatste verrast. Waanzinnig dat ik mijn verzen in de toekomst tegenkom, een toekomst waarvan ik de inhoud niet eens ken, en hij keek sprakeloos toe.
'Hier is nog een opvallend kwatrijn dat je zeker voor je rede in de Rijksdag*(het parlementsgebouw) kunt gebruiken,' tipte Magda en haar gade las het hardop voor: 'Achter in Europa zal een kind worden geboren uit armelui en door zijn toespraken zullen grote aantallen worden verleid. Hij zal tot groter Duitsland omvormen.'
'De Führer zal dit heerlijk vinden,' meende ze.
'Ik zal erover nadenken, liefje. Misschien wanneer ik Kritzinger als bron vernoem. De Führer en het Duitse volk zitten niet te wachten op profetieën van een Fransman uit de Middeleeuwen.'
'Uit de Renaissance,' verbeterde ze.
'Ach, wees toch niet zo'n Pietje Precies. Een boodschap hoeft niet noodzakelijk waar te zijn. Wel dient ze eenvoudig te zijn en vaak en luid genoeg herhaald te worden. Waarheid is wat ik tot waarheid maak, Magda, maar bedankt voor je interessante bijdrage. Wie weet heeft het potentiële propagandawaarde*(1940 De Duitsers verspreidden nepoorlogsverzen van Nostradamus in Frankrijk). Maar luister nu alsjeblieft naar mijn reactie op de Kristalnacht voor de persconferentie,' en hij hief aan, maar werd onderbroken door gerinkel. Joseph pakte een hoorn van een toestel op, luisterde kort naar iemand en hing toen weer op.
'Magda, de gouvernante vraagt of je Helmut en Hilde komt halen,' waarop zijn vrouw meteen de kamer verliet. Haar man liep naar de grote spiegel en oefende zijn toespraak voor de journalisten.
'Alle verhalen die u hebt gehoord over zogenoemde plundering en vernieling van joodse eigendommen zijn vuile leugens, de joden is geen haar gekrenkt,' begon hij. Daarbij onderstreepte hij ieder belangrijk woord met een groot gebaar, totdat hij vond dat het betoog goed overkwam. Hij ijsbeerde kortstondig door de kamer, om daarna nog een keer voor de spiegel zichzelf te overtuigen.
'De grote en absolute waarheid is dat de Partij en de Führer gelijk hebben. Zij hebben altijd gelijk.' Opeens draaide hij zich van de wand af en vroeg toen aan iemand: 'Of niet soms?' Michel zocht in het vertrek naar een ander persoon, tot wie de redenaar zich leek te richten, maar hij zag niemand.
'Of niet soms?' herhaalde de Duitser op scherpe toon.
Tegen wie praat hij nou?
'Ik zie je wel hoor,' zei Joseph, die nu opvallend recht omhoog keek.
Deksels, de man heeft mij ontdekt! en een moment leek alles te bevriezen.
'Ik zie wel vaker dingen die anderen niet zien,' vervolgde hij, 'en daar zeg ik in de Partij niets over, anders verklaren ze me nog voor gek. Maar wat kom jij hier doen, geest? Kom je me helpen of tegenwerken?' Michel was verbijsterd en wist niet te reageren.
Deze man moet in hoge mate begaafd zijn, dacht hij, hij kan geesten zien en is er als de duvel niet bang voor. Joseph begon zijn toespraak nu voor zijn eenmanspubliek te oefenen.
'Wij nationaal-socialisten zullen alleen voor onze kiezers handelen. Wij gaan de Rijksdag in om ons in de wapenkamer van de democratie te voorzien van wapens, die door deze verwerpelijke staatsvorm zelf gemaakt zijn. We komen niet als vrienden of neutralen, maar als vijanden. En, hoe komt dit over?' vroeg hij met klem. Er volgde weer een stilte en Michel voelde zich voor het blok staan.
'Sorry, ik kan je niet volgen,' zei hij uiteindelijk.
'Ach, een onontwikkeld geestje. Sta me toe je wat bij te brengen. Ik weet niet waar je vandaan komt, maar je bent in het Derde Rijk beland. Het rijk dat geleid wordt door mijn Führer Hitler, half plebejer, half god. Wellicht de nieuwe Christus of minstens een Johannes de Doper. Hij heeft alles om koning te zijn, deze geboren volkstribuun en komende dictator. Mijn liefde voor hem is groot. En laat ik niet vals bescheiden zijn, geest, ik speel een van de belangrijkste rollen van dit machtigste rijk op aarde. Ik ben de briljante rijksminister van propaganda, Herr Doctor Joseph Goebbels, doctor in de filosofie en de germanistiek. Dringt het tot je door bij welk voornaam persoon je bent beland?'
'Ik begrijp ongeveer wel wat je zegt,' antwoordde Michel, die de energie van Goebbels maar niet wist te negeren.
'Wat ik doe,' ging deze verder, 'is het verkopen van een idee aan het volk op een zó doordringende en allesomvattende wijze dat het het gedachtegoed geheel accepteert en er nooit meer aan kan ontsnappen. Dit alles om mijn Führer te plezieren. Normaliter spring ik behendiger met mijn woordkeuze om, maar jij bent slechts een geest. Ik zie jou mijn uitspraken niet wereldkundig maken, zo hier de kans mijn hart te luchten.'
'Zijn er veel lieden in de ban van die machthebber, waar je met lof over spreekt?' vroeg Michel, die wat om de kroonluchter heen vloog.
'Haha, je bent duidelijk geen tijdsgeest. Ja, miljoenen landgenoten hangen aan zijn lippen. Ook mijn vrouw adoreert hem. Ze wilde zelfs zijn echtgenote worden, maar dat lukte haar niet. Ze trouwde derhalve met mij, de man die heel dicht bij de Führer staat.'
'Die Hister moet dan wel een indrukwekkend persoon zijn,' nam zijn bezoeker aan.
'Hitler! Ja, dat is-ie ook. Wat onze leider nastreeft, is de zuiverheid en de idealisering van het Arische ras. Zo stimuleert hij het ideale Duitse modelgezin: blank en blond. Ein Kind für den Führer. Mijn zeven kinderen, Helga, Hilde, Harald, Helmut, Holde, Hedda en Heide hebben allen blonde haren en blauwe ogen en zij zijn bij uitstek geschikt voor onze propaganda. Kijk, hier is een foto van de Führer,' en hij toonde een portret van een man met een klein snorretje. De betweterigheid van de minister ging Michel onderhand behoorlijk vervelen. De beroepsredenaar probeerde hem almaar in te palmen, en nog wel uit de hoogte.
'Wat moet ik me voorstellen bij de zuiverheid en de idealisering van het Arische ras?' vroeg de ziener, die popelde om hem de les te lezen.
'Verrek, onze huisgeest kan nadenken. Wat leuk! Welnu, er bestaan in het leven hoog- en minderwaardigen. Dat wat zigeuners tot zigeuners, homoseksuelen tot homoseksuelen en geesteszieken tot geesteszieken maakt, ligt in het bloed ofwel in de genen besloten. Kun je dit volgen?'
'Zeker wel,' jokte hij.
'Goed dan. De verscheidenheid van de mensen heeft dus een biologische oorzaak. Nou hebben wij geconstateerd dat de minderwaardigen zich sneller vermenigvuldigen dan de hoogwaardigen. Daarom is het noodzakelijk de inferieure soort af te zonderen, te steriliseren of, beter nog, uit te schakelen. Anders zal deze scheefgroei geheid tot de ondergang van onze cultuur gaan leiden.'
Die Goebbels is een Broeder van de Schaduw, begreep Michel inmiddels en hij wilde zich beslist niet door zo'n figuur laten ringeloren. 'Heeft die Kristalnacht er ook mee te maken?' vervolgde hij.
'Foei, je hebt me eerder afgeluisterd, maar je bent slimmer dan ik dacht,' zei Goebbels. 'De Kristalnacht is een stap naar de totale vernietiging van de joden. Onze partijleden hebben onlangs deze vrekkige Untermenschen in hun hemd gezet door al hun eigendommen, zoals synagogen, winkels en bedrijven, te vernielen.'
'Ik heb je zojuist horen zeggen dat die mensen geen haar gekrenkt was.'
'Is dit een verwijt? Ik heb je al verteld dat ik de waarheid te pas en te onpas verdraai. Behendigheid en timing zijn erg belangrijk om ons doel te bereiken en een leugen kan dan op zijn plaats zijn. De Führer en ik willen het Duitse volk geven waar het behoefte aan heeft: een groot, zuiver, arisch rijk. En er is niets dat de massa zozeer haat als de zaak van twee kanten bekijken.' Goebbels kronkelde zich er als een slang uit.
'Ben je niet bang dat het volk je gesjoemel met de waarheid zal ontdekken?' vroeg Michel door, die nu pas besefte bij welk groot kwaad hij was terechtgekomen.
'Nee hoor, maar uit voorzorg heeft de Partij al 20.000 boeken van vooraanstaande schrijvers, filosofen en wetenschappers in het openbaar laten verbranden. Boeken die aanstoot geven tot moreel verval. Boeken met een onduitse Geist. Wat wij beogen zal juist een zegening zijn voor de medemens en zijn nageslacht. Eindelijk verlost van homoseksuelen, zigeuners, asocialen, schizofrenen en krankzinnigen. Inmiddels hebben we al tussen de 350.000 en de 450.000 personen laten steriliseren.' De rijksminister ratelde maar door. 'En om het immense jodenprobleem op te lossen richten we speciale vernietigingskampen in, waar onze dokters van de gelegenheid gebruik gaan maken om op deze onreine soort medische experimenten uit te voeren ter verbetering van het arische volk.'
Met deze man valt niet te discussiëren, dacht Michel radeloos geworden. 'Je dient naar eigen maatstaven gesteriliseerd te worden, je bent krankzinnig,' floepte hij er ineens uit.
'Ik begrijp hieruit dat je het niet met me eens bent. Jammer, dit is dus je ware gezicht. Maar niet alles wat waar is, is goed voor de Partij,' ging Joseph onverbeterlijk door. 'Zou dit samenvallen met de feitelijke waarheid, des te beter, anders dient ze te worden aangepast.' Michel brandde langzaam op, de Duitse engerd zoog hem helemaal leeg.
'Wat zou jij zeggen over een affiche met een nieuw merk zeep?' begon de minister weer. 'Door te wijzen op de goede kwaliteit van een concurrerend merk? Nee, ook jij zou je hoofd misnoegd schudden. Zie mijn betoog als een zelfde soort politieke aanprijzing.' Zijn bezoeker zocht inmiddels naar een uitweg. Zijn energievoorraad was dermate aangesproken dat hij acuut moest vertrekken. Hij kon de propagandist, die zijn krachten te boven ging, niet langer aanhoren.
'Als de waarheid niet dient, moet zij worden aangepast,' herhaalde Goebbels, en toen schakelde hij met één knop de gehele verlichting van de kamer uit. Michel werd overvallen door de plotselinge omschakeling van dag naar nacht en duikelde naar beneden. Hij probeerde zich nog aan de kroonluchter vast te grijpen, maar stortte neer en viel met een smak op de grond.
Mijn God, ik ben bij de duivel zelf terechtgekomen, en versuft probeerde hij overeind te komen.
'Dit werkt bijna altijd bij storende geestjes zoals jij,' gniffelde Goebbels, waarna hij de tientallen lampen opnieuw inschakelde. Nostradamus kreeg ditmaal een enorme elektrische stoot te verduren en zijn gedachtelichaam zakte nogmaals in elkaar. Daar lag hij, naast de stenen held met het opgeheven zwaard, en koortsachtig zocht hij naar redding.
'Conformeer je aan ons ideaal, of ik zal je moeten vernietigen,' zei de Duitser rücksichtslos.
'Wacht, ik kan je de toekomst van het Derde Rijk voorspellen,' beloofde de ziener om tijd te winnen.
'Unseres schönes Reich, so weiss, so weiss und wunderschön,' zong Goebbels compleet gek en hij zette een ander stuk van Wagner op.
'Tristan und Isolde,' informeerde hij en hij schakelde tegelijk de verlichting weer uit. Door de nieuwe schok raakte Michel aan een kant verlamd en zijn waarnemingsvermogen begon te haperen. De telefoon rinkelde voor de tweede keer en dat gaf hem enig respijt. De rijksminister zette intussen de operamuziek af en nam de hoorn op.
'Nee, er is niets aan de hand, ik speel alleen wat met de verlichting,' antwoordde hij en hij hing weer op.
'Waar waren we gebleven? O ja, je wilde me de toekomst van het Derde Rijk gaan voorspellen. Daar trap ik natuurlijk niet in, maar ik voorspel dat jouw toekomst er niet best uit ziet,' en hij liet de zee van licht opnieuw tevoorschijn komen. Door de harde klappen kon Michel nauwelijks nog denken, zijn vluchtige lichaam beefde gevaarlijk en neigde tot verdamping. Nog één aanslag zou hem fataal zijn. Juist toen ging de kamerdeur open en kwam Magda binnen.
'Ik heb de kinderen opgehaald en ze liggen nu in bed. Heb je je onderhand wel gedragen?' vroeg ze.
'Jawel schat, ik ben mijn rede wat aan het oefenen,' veinsde hij. Zijn vrouw keek hem opeens indringend aan.
'Ik wil niet dat je Irene nog ziet. Dat schaadt het imago van de Führer,' zei ze.
'Ik heb niets met haar, ze is alleen een goede actrice die ik op de voet volg.'
'Wij weten allebei beter, Joseph. Jij wilt toch zo graag een modelgezin zijn? Beheers dan je seksuele driften, anders moet ik het de Führer alsnog vertellen.' Hij zette zich chagrijnig op de canapé neer en keek langs zijn vrouw.
'Ik ga nu naar bed en speel niet zo met de lichten,' zegde ze hem nog aan en ze liep de kamer weer uit. Haar man bedacht zich geen moment, draaide zich gretig om en zocht zijn speeltje op. Maar naast het levensgrote beeld was er niets meer te vinden, de geest was verdwenen. Die keerde net op tijd in zijn stoffelijke lichaam terug, dat braaf op zijn baasje lag te wachten.
'Dat was kantje boord,' neuzelde hij, met Goebbels nog op het netvlies. Hij raapte zichzelf bij elkaar en ruimde de driepoot op. Daarna begaf hij zich naar zijn bureau om het hachelijke avontuur op schrift te zetten.
Alleen door mijn licht op de duisternis te werpen, kan ik het kwaad overstijgen, bespiegelde hij, terwijl hij zijn pen in de inkt doopte.

Anne was voor de vierde maal zwanger en het zou nog maar enkele maanden duren voordat het kind geboren werd.
'Het wordt een meisje!' voorspelde haar man, die druk bezig was met zijn tweede almanak.
'Ik wil het niet weten,' schreeuwde ze en ze stopte snel haar vingers in de oren.
'Maak nou niet zo veel lawaai, je jaagt de baby nog de stuipen op het lijf,' waarschuwde hij, maar ze hoorde het niet meer. Er werd onverhoeds op de huisdeur geklopt en Michel deed open. Met een bedrukt gezicht keerde hij in de woonkamer terug.
'Neem de kinderen mee naar boven en blijf daar,' gebood hij.
'Wat krijgen we nu?' reageerde Anne verontwaardigd. 'Word ik als een lastdier behandeld?'
'Dit keer ga ik niet in discussie, ik leg het je later wel uit,' en toen ze met de spruiten boven was, liep hij naar de voordeur en ontbood het bezoek. Het was een getrouwd stel uit Senas. De vrouw droeg een monsterlijk, pasgeboren kind met twee hoofden en vier armen. Ze waren aan één stuk uit Toulon doorgereisd om de helderziende arts te raadplegen. Die krabde zich flink achter de oren bij het zien van het wangedrocht, terwijl het wanhopige stel hem vol verwachting aankeek.
Wat moet ik hier nou mee? dacht hij, maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen hen terstond weg te sturen en voor de formaliteit onderzocht hij de vergroeide tweeling.
'Hoe komt u eigenlijk bij mij terecht?' vroeg hij, terwijl hij het afzichtelijke wezen nog even achteren bekeek.
'De autoriteiten van Toulon hebben u aanbevolen,' antwoordde de jonge vader. 'Ze vertelden dat u ons wellicht verder kon helpen.' De dokter gaf het paar wat te drinken, waarna hij zich kort op het wezen van het kind concentreerde, dat niet erg levensvatbaar oogde.
'Het spijt me, maar uw kind zal niet lang in leven blijven,' zei hij voorzichtig, waarop de moeder tranen met tuiten begon te huilen. Haar man troostte haar en ze vertrokken uiterst bedroefd. Anne kwam nadien met de kinderen beneden en vroeg wat er aan de hand was geweest.
'Ik wilde jullie iets griezeligs besparen, zo griezelig dat je er nachtmerries van krijgt,' legde hij uit. Toen de kleintjes later in bed lagen, lichtte hij zijn hoogzwangere vrouw een tipje van de sluier op, waarna ze moest huiveren.

Enkele maanden later werd hun vierde kind - gelukkig normaal - geboren. Het was inderdaad een meisje, zoals Michel voorzien had, en ze werd tot Pauline gedoopt. Anne raakte in een mum van tijd opnieuw zwanger. Haar man vond het allemaal prima, hoewel het in huis aardig druk begon te worden en het gejank en geschreeuw de serene atmosfeer in zijn studeerkamer verstoorde. De oplossing was simpel: er werd een tussendeur bij het trapgat geplaatst en de geleerde kon weer rustig aan de slag. Naast het uitvogelen van gebeurtenissen voor het komende jaar en het trekken van horoscopen voor allerhande gasten, had Nostradamus al verschillende pogingen ondernomen om zich verder te verdiepen in de twintigste eeuw, maar de truc met het krukje was uitgewerkt. In het occulte zaakje in Marseille vond hij een nieuw instrument, en eenmaal thuis haastte hij zich met het geheimzinnige pakket naar boven toe. Voorzichtig pakte hij er een breekbare schaal uit en plaatste die op de grond. Vervolgens rende hij weer omlaag naar de tuin om water uit de ton te halen.
'Tjonge, wat heb jij een dorst,' zei Anne, die de was ophing.
'Ik sterf het zowat af,' schermde haar man, die niet op het gesteggel wilde ingaan en driftig met een volle emmer naar zijn kamer terugkeerde. Vandaag zou het hem gaan lukken Hister te bezoeken, de grote Duitse aanvoerder die een wereldoorlog zou veroorzaken, dacht hij stellig. Hij sprenkelde wat water in de schaal en voegde er olie met een hallucinerende werking aan toe. Vervolgens ging hij ernaast zitten. Na een poosje staren naar het wateroppervlak ontspande hij zich en toen de etherische dampen hem langzaam maar zeker bedwelmden, raakte hij in een diepe trance. Plotseling werd hij van achteren aangevallen; er sprong iemand op zijn rug. Het was te laat om zich te verweren en hij viel voorover.
'Papa, we hebben iets leuks voor je,' riep César, die om zijn nek hing.
'Verdomme nog aan toe!' ontstak hij in toorn, waarop de jongen zich kapot schrok. Hij had zijn vader nog nooit boos gezien. Vader was altijd de beheersing zelve, maar nu straalden zijn ogen vuur en donder uit. Michel zag zoonlief ontredderd staan en kreeg meteen spijt.
'Sorry dat ik zo uit mijn slof schiet, maar je kwam op een erg slecht moment,' en hij reikte hem de hand. César aarzelde, maar gaf toen ietwat wantrouwig de zijne.
'Ja jongen, het kwaad zit in iedereen, ook in je vader, en het is een goede zaak om die kracht te beheersen, wat ik zojuist naliet. Gelukkig hebben we een geweten.' Ze waren goed versjteerd en kwamen even bij.
'Michel, kom je naar beneden? We hebben een verrassing voor je,' riep zijn echtgenote opeens twee verdiepingen lager.
'Wat nú weer?' en chagrijnig denderde hij de trappen af en belandde in de woonkamer, waar niemand te vinden was.
'Hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag,' jouwden Anne en de kinderen en ze kwamen uit de keuken tevoorschijn. 'Je cadeau staat bij de huisdeur!' Vader, die nu Abraham had gezien, kreeg er hoofdpijn van en liep nukkig naar de entree. Hij kon er echter geen pakje ontdekken en keerde schokschouderend naar de woonkamer terug.
'Achter de deur!' scandeerden ze. De jarige liep er opnieuw naartoe en trok mopperend de deur open.
'Tatata,' schalde een hoorn. Talloze stadsbewoners stonden pal voor zijn neus.
'Doctor Nostradamus,' hief burgemeester Lemerre aan, 'het is ons een genoegen u te mogen feliciteren met uw vijftigste verjaardag, een halve eeuw wel liefst.' De jarige wilde 't liefst de deur voor z'n neus dicht smijten, maar kon dat voor al zijn enthousiaste stadsgenoten, en zijn gezin, niet maken en liet het maar over zich heen komen.
'U bent een zeer bijzonder mens,' hernam de burgemeester, 'en van grote waarde voor Salon de Provence. Derhalve heeft de gemeenteraad besloten een standbeeld voor u op te richten en wij vragen u in alle bescheidenheid uw eigen beeld op het stadsplein te komen onthullen.' Er was geen ontkomen aan en de geprezen geleerde werd onverwijld meegetrokken. De feestende meute droeg hem zelfs op handen naar het plein toe, waar zijn verhulde beeld stond opgesteld.
'Lieve mensen,' riep de burgervader aldaar om. 'Onze beroemde stadsgenoot is vandaag vijftig jaar geworden en het bestuur wil van deze gelegenheid gebruikmaken hem te huldigen door hem tot ereburger van onze stad uit te roepen en een standbeeld voor hem neer te zetten.' Lemerre verzocht Nostradamus het doek van het beeld af te trekken en onder groot gejuich kwam een bronzen figuur met goede gelijkenis van de astroloog tevoorschijn. Een fanfare-orkest begon daarop te spelen en de gemeenteraadsleden spoedden zich naar de geleerde om hem geluk te wensen. Na deze stortvloed van lofbetuigingen zag de besuikerde ereburger eindelijk zijn kans schoon en vluchtte achterlangs weg. De burgemeester sprak intussen wat met de vrouw van de ziener, terwijl de raadslieden zich lieten vangen door de gratis hapjes. Na afloop ging Anne in haar sas naar huis toe en ze liet de kinderen nog even op het plein ballen. In de huiskamer zat haar echtgenoot stram op haar te wachten.
'Ik wil zulke verrassingen niet meer meemaken,' zei hij fel. 'Ik zat in een diepe concentratie en dan stuur jij César op me af. Ik kreeg zowat een hartstilstand.' Pauline, die in doeken verwikkeld lag, begon te huilen.
'Ach kindje,' bedaarde moeder haar, 'we moeten ons steeds maar aan die rare papa aanpassen, het lijkt wel of alles om hem draait.' Als een gebeten hond liet hij zijn eigengereide eega achter en hij klom vloekend en stampend de trap op.
'Jij wilt je met allerlei rampen bezighouden,' wierp ze hem nog na. 'Wij niet, wij proberen er iets leuks van te maken.' Hij wist dat hij met een vrijgevochten vrouw getrouwd was, maar nu ging ze echt te ver en hij draaide de deur van de zolder voorgoed op slot. Heel de dag bleef hij mokkend op zijn kamer zitten, maar 's avonds laat kwam hij tot bedaren en hij zocht Anne in de slaapkamer op en vertelde haar dat het 'm speet.
'Je hebt gelijk, ik ben zwaar op de hand en het zal best moeilijk zijn voor jullie met mij, maar ik zit nou eenmaal zo in elkaar...'
'Dat is geen nieuws. Kom hier en doe die kleding uit,' zei ze. Hij kroop bij haar in bed en ze pakten elkaar liefelijk beet.
'Ik weet dat je je missie moet volbrengen,' hernam ze, 'en ik zal je tot het einde blijven steunen, maar tegelijk wil ik ook leven.' Haar begrip deed hem goed en er volgde een vrijpartij.
'Ik bof maar met je,' fluisterde hij na afloop. De volgende morgen werd hij allerberoerdst wakker; het leek wel of zijn lichaam kookte. Het was hem gisteren toch te veel geweest. Anne hoorde haar echtgenoot kreunen en zag dat hij serieus ziek was.
'Zal ik een dokter halen?' vroeg ze bezorgd.
'Ik ben de dokter en ik heb alleen rust nodig. En liefde,' voegde hij eraan toe. Dagenlang was hij aan bed gekluisterd en zijn vrouw verzorgde hem met toewijding, ondanks haar dikke buik.
Altijd heibel met mijn geleerde, dacht ze sip, terwijl ze een eitje voor hem pelde. Voortaan moeten we elkaar maar meer ruimte geven.

Het was Kerstmis, naast Pasen het grootste feest van het jaar. Het gezin De Nostredame, inmiddels uitgebreid tot vijf kinderen, vierde de geboorte van Jezus Christus in de kerk Saint-Laurent. Het was de eerste keer dat er in het huis van God een kerststal met levensgrote beelden te zien was en iedereen moest dit zien. De kinderen waren er als de kippen bij en Paul en César hadden zich dicht bij het kribbetje met het kindje Jezus weten te wurmen.
'Mama, André lijkt op Jezus!' riep Paul, die gelijkenis zag met zijn pasgeboren broertje.
'Ik vind André wel wat knapper,' antwoordde ze achter een aantal mensen vandaan. De omstanders keken haar met scheve ogen aan.
'Dat is godslastering,' betichtte een van hen haar. Anne trok zich er niets van aan en bezocht met haar man de andere kerstpoppen. Maria, Jozef en de herders waren beduidend minder populair en iets verderop hadden de drie koningen uit het oosten het minst bekijks. Alle kerkgangers werden nu verzocht op de houten banken plaats te nemen, waar Nostradamus zijn kinderen nog even snel over Franciscus van Assisi vertelde, die met het gebruik van de stal was begonnen. De geestelijke wilde op deze manier de kerstboodschap voor ongeletterden uitdragen. Helaas waren zijn koters niet zo wijsgerig als hij had gehoopt, want ze keken liever naar de duizenden lichtjes die de zaal betoverden. De kerstvoorstelling begon. De oude aartsbisschop uit Arles schuifelde naar de katheder en had er zin in.
'Dames en heren, Kerstmis is de belofte van het nieuwe leven dat Jezus brengt, en dit prachtige gegeven zal nu voor u verbeeld worden. Veel plezier.' De acteurs kwamen ten tonele en het publiek zat op het puntje van de stoel. Niet alle toeschouwers, want Michel vond het hele gebeuren maar bedenkelijk. Er was vóór de opkomst van de protestanten nog nooit zo'n mooie kerstvoorstelling georganiseerd en de bisschop was nog nooit zo vriendelijk en kort van stof geweest. De Contrareformatie probeerde overduidelijk zieltjes terug te winnen, maar kritische geluiden kon je van dit dorpse publiek niet verwachten. Zijn onschuldige kinderen werden intussen gehersenspoeld. Met tegenzin volgde hij dan ook het theaterspel, maar naarmate de toeschouwers enthousiaster werden, zwichtte hij voor de goede sfeer. Tot slot waren er de optochten met de herders en de drie koningen, die bij de kerststal eindigden. Het was ondanks de onzuivere motieven van de Kerk een leuke avond geworden en geamuseerd keerde de familie naar huis terug. Die nacht werd het zesde kind gemaakt.




Hoofdstuk 7



De pijl uit de hemel maakt zijn reis
De dood spreekt, een grote executie
Steen in de boom, een trots ras vernederd
Menselijk monster, zuivering en boetedoening


'Michel,' riep Anne vanachter de gesloten zolderdeur, 'ik ga vanmiddag weg en kom pas morgenochtend terug. Als je wilt, drinken we nog thee samen.' Haar echtgenoot had daar wel oren naar en deed de deur open, waarna ze een blad met thee en koekjes op zijn bureau plaatste.
'Wat ga je dan doen?' vroeg hij benieuwd.
'Met Jacqueline paardrijden in de Camargue en ik blijf daarna bij haar in Istres slapen. Het is al weer lang geleden dat ik mijn zus gezien heb.'
'Ik wist niet dat ze paardreed.'
'Sinds kort. Je zult het dus even zonder mij moeten stellen. Maar de huismeid houdt de kinderen in de gaten,' en ze schonk de bloementhee in.
'Werkt ze nog steeds in het naaiatelier?' vroeg haar man, die een beet van het rozijnenkoekje nam.
'Ja, en ik heb haar gevraagd voor jou een lang, bruin gewaad te naaien.'
'Fijn,' bedankte hij, terwijl hij de kruimels uit zijn baard veegde. Ze dronken de thee op, waarna Anne ervandoor ging.
'Doe de groetjes aan je zus,' zei hij nog en ze kusten elkaar vluchtig gedag. Hij vergrendelde de deur, opdat er geen kind meer op zijn rug kon springen, en deed ook de vensters dicht. Het was nu zo goed als donker in de kamer en hij zette zich in zijn bureaustoel, waar hij een geheim pillendoosje uit een lade tevoorschijn haalde. In het doosje bewaarde hij een kruid dat gebruikt werd om het derde oog te stimuleren. Een nieuw experiment! Hij strooide het kruid in poedervorm op het bureaublad uit en snoof het in één keer op.
'Nondedju, te veel van het goedje ingenomen,' mopperde hij en zijn ogen traanden van de pijn. De kamer begon opeens te tollen en hij greep zich aan de armleuningen vast, maar verloor de controle.
'Anne!' piepte hij met ronddraaiende ogen en zijn lichaam gleed langzaam van de stoel af.

Na enige tijd kwam de mysticus, die languit op de grond lag, tot zijn positieven.
Dit is niet mijn studeerkamer, bemerkte hij om zich heen kijkend. Hij was in een kolossale zaal terechtgekomen en kwam overeind om hem nader te beschouwen. De zaal bezat een imposant vloermozaïek van een zwarte zon; de afbeelding was opgebouwd uit tekens van verschillende geloven. Er stonden verder talloze relikwieën in de ruimte en er was slechts één klein venster, waar hij meteen een blik naar buiten wierp.
Het is een burcht waarin ik ben beland, stelde hij vast. Er was in de zaal verder niets van betekenis en hij liep nieuwsgierig naar een uitgang.
Er hangt hier een merkwaardige sfeer die me doet denken aan zwarte magie, en voorzichtig klom hij een stenen trap af. Een verdieping lager waren meer zalen en alle toegangsdeuren stonden wagenwijd open. Bij de eerste stond 'Koning Arthur Zaal' vermeld. In deze ruimte stond een ronde, houten tafel met twaalf stoelen.
Geïnspireerd door de riddertijd, concludeerde hij. De tijdreiziger liep aandachtig rond, betastte even de stoelen en bezocht toen het volgende vertrek, de 'Koning Heinrich I Zaal'. Hier waren de meubels juist van zeer geavanceerde materialen, mogelijk uit de negentiende of twintigste eeuw, giste hij. Er stonden onder meer een bureau, stalen archiefkasten en een kluis. Aan de muur hing een bouwtekening, waarboven met dikke letters Wewelsburg stond geschreven.
Het moet een ontwerptekening van dit kasteel zijn, dacht hij. Het gigantische project besloeg een stad in een halve cirkel van exact duizend meter doorsnede en het geheel was in de vorm van een pijl, die naar het noorden wees. Hij snuffelde daarna in een open bureaulade, die vol zat met doodskopringen.
Een macabere verzameling, vond hij maar. In de archiefkasten stonden alle dossiers netjes gerangschikt op alfabetische volgorde. Alleen een map met haarscherpe afbeeldingen van een Tibetaans klooster lag er slordig bovenop. Plotseling hoorde hij stemmen en voorzichtig keek hij om de deurpost heen. Drie mannen in uniform sjokten de stenen trap op.
'Het Duitse volk zal elke duizend jaar een bijzondere leider kennen,' hoorde hij een van hen zeggen.
'Je doelt natuurlijk op mij,' reageerde de man met het snorretje en een huiveringwekkende stem.
Dat moet Hister zijn, wist Michel meteen.
'Zonder enige twijfel, mijn Führer,' antwoordde zijn plaatsvervanger Heinrich Himmler. 'Het is op de kop af duizend jaar geleden dat Heinrich I over de Germaanse gebieden heerste en wellicht bent u zijn reïncarnatie.' De mannen waren nu vlakbij en maakten aanstalten om de etage te betreden waar Michel zich begaf.
'Schiet het al op met de verbouwing van Wewelsburg?' vroeg Hermann Göring.
'De burcht is zo goed als klaar. Kom, ik zal u alvast de generaalszaal laten zien,' zei Himmler terug en ze klommen verder omhoog. Michel wist de mannen niet meer te verstaan, maar hun voetstappen klonken door het hele gebouw. Na enige tijd liepen de Duitsers weer omlaag en werden hun stemmen opnieuw verstaanbaar.
'Zo, grootmeester in de Teutoonse ridderorde,' plaagde Göring, 'wat wordt onze vast plek?'
'De Koning-Arthurzaal,' antwoordde Himmler, 'daar gaan we voortaan vergaderen.' Michel hoorde hen vanuit het naastgelegen vertrek aan de ronde tafel plaatsnemen. Er was een tussendeur en muisstil legde hij zijn oor aan.
'Mijne heren, ik heb u verzocht hier te komen om een speciale reden,' ving Himmler aan. 'Ik wil namelijk mijn grootse plannen aan u voorleggen.'
'Ik verwacht alleen grootse plannen van je,' mokte Hitler, maar zijn plaatsvervanger liet zich niet van de wijs brengen.
'Wewelsburg zal het heiligdom van Europa zijn,' hernam hij. 'De burcht moet een centrum worden van een nieuwe religie. Een religie met herkenbare goden, mythen en zelfs een eigen Vaticaan.'
'Op christelijke leest?' veronderstelde Göring.
'Nee, ik wil dat onze oude arische wortels de boventoon gaan voeren. Daarom wil ik de Bijbel vervangen door Mein Kampf en alle kruizen door swastika's. De helderziende Karl Wiligut heeft al eerder voorspeld dat deze plek een magisch Germaans bolwerk zal zijn.'
'Die verdomde macht van het Vaticaan moet inderdaad gebroken worden,' stelde Hitler hem in het gelijk.
'Toch is er iets van het christendom,' zei de tweede man van het rijk, 'dat ons allen mateloos boeit en dat is de heilige graal.' Intussen hoorde Michel hem verrast aan. Het ging over de magische beker waaruit hij bij zijn inwijding gedronken had.
'Al jaren probeert ons Thule-Gesellschaft deze graal te bemachtigen, omdat dit zou leiden tot de ultieme macht. Vier jaar geleden heb ik de geschiedkundige Otto Rahn*(De Duitse graalzoeker stierf geheimzinnig in 1939) opdracht gegeven om in de grotten bij de Montségur naar de graal te zoeken, maar tevergeefs. Belangrijke aanwijzingen kunnen in ieder geval niet meer door hem aan derden worden doorgegeven.'
'Ik heb gehoord dat je nog meer slachtoffers tijdens je zoektocht hebt gemaakt,' merkte Hitler op.
'Ongeveer een miljoen,' zei Himmler droogjes terug, 'maar dat is van ondergeschikt belang aan wat wij voor ogen hebben.'
'Je wordt al de grootinquisiteur genoemd,' grapte Göring en de mannen moesten erom lachen.
'Ja ja, maar nu komt het: ik ben toen zelf naar de Montségur afgereisd en heb daar maandenlang gezocht. Eén spoor leidde me ten slotte naar het klooster van Montserrat in Spanje, en heren, het is me gelukt. Ik heb de graal gevonden.' Nostradamus hoorde het vol ongeloof aan. Die Himmler was gevaarlijker dan z'n baas!
'Waar is de beker?' riep Adolf opgewonden.
'In de kluis hiernaast. Ik zal hem direct halen,' en apetrots liep Himmler naar de Koning-Arthurzaal, waar de overrompelde ziener als een kleine jongen wegdook. Met gestokte adem keek deze vanachter het archief toe hoe de bergruimte geopend werd, en hij ving een glimp van de heilige graal op.
Het is 'm niet, de originele beker is kleiner en gedeukt, dacht hij opgelucht. Onderhand nam Himmler de relikwie mee en keerde bij zijn Broeders van de Schaduw terug.
'Mijn Führer, aan u de eer,' en hij overhandigde zijn baas de vermeende heilige graal. Die onderzocht de beker wantrouwig en zette hem daarna zwijgend op tafel neer. Toen begon hij overtuigd te klappen en keek zijn opvolger prijzend aan.
'De absolute macht is nu aan ons,' grijnsde Himmler, 'maar sta mij toe de graal direct weer achter slot en grendel te plaatsen. Herr Wiligut¹ en de officieren schuiven zo aan en ik wil dat de locatie van de graal alleen bij ons drieën bekend blijft.' Hitler gaf zijn goedkeuring en Heinrich verliet opnieuw de kamer om de graal veilig op te bergen, terwijl Michel zich andermaal achter de dossiers moest verstoppen. In Wewelsburg wemelde het nu van de bewakers en weldra arriveerde er een groepje SS-officieren. Ze kwamen binnen en begroetten de Führer. Adolf reageerde niet en bleef onbereikbaar zitten: hij had alleen oog voor zijn substituut, die misschien nog meer in petto had.
'Komt Goebbels niet?' vroeg Göring aan zijn dromende baas.
'Nee, Joseph is druk bezig met mijn speech, met voorspellingen van Kritzinger,' antwoordde hij onverschillig.
'Deze zaal,' sprak Himmler het uitgebreide genootschap verder toe, 'is voortaan alleen toegankelijk voor de twaalf hoogsten van het rijk. Na de inwijding zal er een strikte geheimhouding zijn over alles wat in deze orde gaat plaatsvinden. De zwijgplicht zal onder leiding van de helderziende Herr Wiligut door middel van de methode van dwang gewaarborgd moeten worden.'
Het opgetrommelde medium stelde zich voor en Nostradamus voelde nattigheid.
'Ieder lid neemt op gezette tijden in de kamer hiernaast plaats,' hervatte Himmler, 'terwijl de anderen hun gedachten op die persoon gaan richten. Door deze invloed van de ridderlijke dwang zal het lid niet in staat zijn eventuele geheimen voor zich te houden. Herr Göring, ik stel voor dat u als eerste de proef op de som neemt.' Michel dook ten derde male weg, waarop Göring een fractie later binnenliep en aan het bureau ging zitten wachten. De besloten SS-kring begon daarna contact met geesten van Germaanse voorouders op te nemen, die in combinatie met Tibetaanse klankschalen de ruimte moesten zuiveren. Toen de klanken verstierven, werd het een poos doodstil. Göring behoorde tot de meest getrouwen en had niets op zijn kerfstok, dacht hij stellig. Desondanks maakte het experiment hem onzeker en van de zenuwen beet hij op zijn nagels. Uiteindelijk werd hij door zijn collega's weer toegelaten.
'Dit had ik niet gedacht, Hermann, wat heb je voor ons te verbergen?' vroeg Himmler onverwachts.
'Ik heb absoluut niets te verbergen,' gaf Göring op hoge toon te kennen.
'Volgens Herr Wiligut wel...'
'Ik ben een man van eer en fatsoen en ben altijd trouw geweest aan de Führer.'
'Dan moet er nog iemand anders in de kamer zijn,' bevroedde Wiligut.
'Dat lijkt me sterk,' zei Himmler, 'dit complex wordt als een fort bewaakt.' Maar voor de zekerheid gaf hij zijn wachters opdracht de zaal hiernaast te onderzoeken.
Stront aan de knikker, besefte de andere helderziende te laat. De soldaten vonden hem achter de kast en sleurden hem mee naar het groepje samenzweerders. Daar stond de aanvoerder boos op en keek hem vol verachting aan.
'Hoe ben je hier binnengekomen?' snauwde hij, maar de spion zei niets terug.
'De Führer vraagt je iets,' benadrukte Himmler giftig, maar Michel bleef zijn lippen stijf op elkaar houden.
'Dit zal niet meer gebeuren, mijn Führer,' verontschuldigde Heinrich zich. 'Gooi hem in het Walhalla en zet de verbrandingsoven aan. We krijgen hem wel aan de praat.' De wachten namen de indringer mee en sloten hem in de kelder op, waar Michel weer op verhaal kwam.
Ik ben helemaal vergeten dat het slechts om een toekomstbeeld gaat, zag hij in. Ik was geobsedeerd door het gevaar.
Enigszins gerustgesteld bekeek hij de ruimte om zich heen. Naast de verbrandingsoven, die tekenen van leven begon te geven, stond een bak vol schilden van dode soldaten. De insignes werden hier ceremonieel verbrand.
Mijn angst is mijn grootste vijand, maar laat ik voor de zekerheid geen risico nemen. Wie weet leggen ze mij ook nog in de as. De oven wordt al heet, en hij richtte de aandacht op zijn studeerkamer.
'Het draait allemaal om concentratie...' En nadat zijn hoofd koel was geworden, loste hij geleidelijk op.
'Ha, het ooglid van mijn ziel,' verzuchtte hij toen hij zijn vertrouwde zolder weer in ogenschouw nam. Hij ging linearecta naar zijn bureau toe om de gebeurtenis op te schrijven, maar beteuterd ontdekte hij zijn aardse lichaam, dat roerloos naast de stoel onderuit lag. Het lijf haalde uiterst traag adem en hij vermoedde dat het nog herstellende was van de overdosis kruiden die hij eerder had ingenomen. De geest probeerde nog een intreding te forceren, maar het stoffelijke lijf gaf geen enkele sjoege.
Wat nu? Dit kan geen boek je leren, zei hij ontnuchterd tegen zichzelf en hij besloot maar af te wachten.
De ridders uit de twaalfde eeuw hebben wel indruk gemaakt op die Duitsers, dacht hij. Ik ben benieuwd hoe het de monsters zal vergaan. En Nostradamus had de gedachte nog niet afgemaakt of in een degenflits belandde hij in een bunker te midden van nazi's, die paniekerig heen en weer liepen.
Blikskaters!
Maar gelukkig werd hij niet opgemerkt. De schimmen werden geheel in beslag genomen door meer nijpende zaken.
De ene keer zien ze je niet en de andere keer weer wel, al naar gelang hun stemming, stelde hij fronsend vast, het lijkt 't echte leven wel, maar dan...
Plots deed een explosie de betonnen bunker gevaarlijk trillen en wolken stof trokken door het vertrek. De nazi's werden gebombardeerd: het was een zaak op leven en dood. Een grote, blonde secretaresse rende door de opschudding verward rond en scheerde rakelings langs de onopgemerkte bezoeker.
Ook verblind en niet het bewustzijn iets anders waar te nemen, constateerde Michel nogmaals. Voorzichtig onderzocht hij het complex, waar tientallen officieren zich in diverse vertrekken uit de strijd hadden teruggetrokken. Het leeuwendeel lag op stapelbedden en ze zagen eruit alsof hun laatste uur had geslagen. Alle vertrekken gaven een trieste aanblik en waren in zeer vervallen staat. Leidingen hingen los aan het plafond, de muren zaten vol scheuren en overal lag troep. Tussen de bedden stond het vol met plastic vaten brandstof. In een van de slaapkamers ontdekte de tijdreiziger zes blonde kinderen met blauwe ogen.
Als dat de spruiten van Goebbels niet zijn, dacht hij. In de officierskamer bevonden zich Hitler en zijn vertrouwelingen. Weer schudde de kazemat op zijn grondvesten en een telefonist onderhield met moeite de verbindingen met het leger. De Führer poogde vanuit Berlijn de restanten van zijn Derde Rijk te besturen. Het kwartier bevond zich recht onder de Rijksdag en bezat een meters dik, betonnen dak om de leider tegen de zwaarst mogelijke bommen te beschermen.
'De Russen en geallieerden vallen ons van alle kanten aan,' gilde Hitler, maar hij had niet echt het karakter zich over te geven, en Nostradamus bekeek de vlees geworden haat van dichtbij. Elke porie leek in dienst te staan van vernietiging.
Grappig eigenlijk, dat ik hun baas zo onder de loep kan nemen, vond hij. Himmler was er ook. Hij deed zijn bril af en wreef zich moedeloos in de ogen.
'Het is misschien nog niet te laat om ons over te geven in ruil voor vrijlating,' opperde hij.
'Nee, nooit zullen we onderhandelen met de vijand. We gaan door tot de eindzege!' kraste Hitler, terwijl een herdershond zijn vingers schoon likte. Zijn plaatsvervanger staarde hopeloos voor zich uit. De bunker schudde nogmaals op z'n grondvesten. De bombardementen waren nakende.
'Ik vind ook dat we ons maar beter kunnen overgeven,' gaf generaal Berger voorzichtig toe.
'Luister wat ik zeg: ik zal mij nooit en te nimmer levend overgeven,' siste Hitler in zijn gezicht, waarop Berger gefrustreerd het vertrek verliet.
'Je laat me dus in de steek, verrader,' klaagde zijn baas, die lukraak bevelen bleef geven. Zijn aanhangers waren echter vermurwd en lieten het gelaten langs zich heen gaan. De situatie werd met de minuut uitzichtlozer en de verongelijkte Führer liep naar zijn secretaresse om haar zijn testament te dicteren.
'Zet er maar in,' zwoer hij, 'dat ik, Adolf Hitler, zelfs vanuit het hiernamaals mijn Derde Rijk zal leiden.'
Als dat maar niet bewaarheid wordt, dacht Michel, die vlak achter zijn rug stond. De telefonist kwam met een slecht bericht.
'De partizanen hebben onze bondgenoot Mussolini vermoord en ondersteboven opgehangen,' deelde hij mee. Hitler was er even van uit zijn doen, maar hernam zich.
'Ik wil niet dat de vijand mijn lichaam krijgt. Verbrand het als ik dood ben.' beval hij. Traudl noteerde zijn wens. Eva, de vriendin van de Führer, kwam met een bak water voor hond Blondie binnengelopen, die er gretig van begon te drinken.
'Waar is Magda eigenlijk?' vroeg Eva, die tegen een stapel dozen leunde, waarin alle belangrijke documenten zaten die op het allerlaatste moment verbrand dienden te worden.
'Die zal wel bij Joseph zijn,' vermoedde Himmler. De verbindingsofficier kwam alweer met een rot bericht. De SS scheen een belangrijke nederlaag aan de rand van de stad geleden te hebben.
'Mijn leger laat me dus definitief in de steek,' schimpte Hitler, die paars aanliep. Hij kreeg zelfs bijna een toeval en moest het kwartier verlaten. Hij trok zich in de woonkamer terug, waar Magda Goebbels als een vaatdoek op de sofa hing.
'Laat die kinderen van jou ook eens gaan vechten,' snauwde hij. Ze hield verstandig haar mond en vluchtte van haar afgod weg. Adolfs droom van een superrijk was aan diggelen.
'Niemand praat meer met me, alleen Eva nog,' jammerde hij en hij plofte op de bank neer, waar hij voor de zoveelste keer de Partijdag in Neurenberg begon af te draaien. Het was zijn hoogtepunt en de film ontspande hem enigszins. Zijn vriendin was hem achterna gekomen en ging naast hem zitten.
'Adolf, ik wil met je trouwen, vandaag nog,' zei ze.
'Je weet dat ik met mijn missie getrouwd ben,' wierp hij tegen. Maar Eva begon hem te strelen om hem alsnog over te halen.
'Nou vooruit, dan trouwen we voor jou,' zegde hij eindelijk toe. En terwijl ze hem uit dank een kusje op zijn neus gaf, toonde het witte doek een reusachtig plein, waar honderdduizenden mensen hun rechterarm schuin omhoog staken om hun leider te salueren.
De koning der koningen, met steun van Pannonia, ontrafelde Michel toekijkend. De persoonlijke bediende van de Führer rende binnen.
'Wat is er nu weer?' vroeg zijn baas.
'Herr Himmler is weg. Hij is gevlucht door het tunnelstelsel naar het westen toe.'
'Stuur een paar soldaten om hem af te maken.'
'Eh, er is niemand meer om dat uit te voeren,' antwoordde de bediende op zijn tenen. Hitler stopte de film en keek grimmig voor zich uit. Nostradamus was reuzebenieuwd naar de ontsnapping van zijn plaatsvervanger en verliet de huiskamer. Na het complex doorzocht te hebben vond hij een tunnel naar het westen, waardoor Himmler zou zijn gevlucht. Hij beraadslaagde wat hij zou doen, toen er gestommel vanuit een belendend vertrek klonk.
'Verrek, als dat onze huisgeest niet is,' zei een bekende stem opeens. Het was de minister van propaganda, die geesten kon waarnemen en hem al eerder in de val had gelokt door een ondermijnende discussie met hem aan te gaan. Goebbels stond hem vreemd vanuit de deuropening aan te staren.
Ik mag me niet andermaal door deze idioot laten meeslepen, nam Michel zich voor.
'Wat jammer dat je er zo snel vandoor ging laatst,' zei Goebbels tegen hem. 'Je komt zeker kijken hoe we de ondergang tegemoet gaan? Maar wie het laatst lacht, lacht het best,' en hij begon te lachen. Hitler kwam aangelopen.
'Joseph, ik heb je als getuige nodig. Eva en ik gaan trouwen.'
'Ik kom er zo aan. Ik ben nog even in gesprek.'
'Er is hier niemand, Joseph. Je ziet weer spoken.'
'Maar daar is-ie!' en hij wees in Michels richting. Hitler pakte daarop zijn pistool en schoot meerdere keren op de plek waar het fantoom zich moest bevinden.
'Nu niet meer. Kom mee en hou verder je waffel.' Enkele geschrokken officieren kwamen met mitrailleurs aangehold en vroegen wat er aan de hand was.
'Ik heb een spook doodgeschoten,' sneerde hun leider, terwijl hij Goebbels meetrok. Michel zakte intussen onderuit. De kogels waren dwars door hem heengegaan.
'Ik ga dood!' jeremieerde hij. Maar zijn hogere lichaam was slechts van slag. Er klonk bruiloftsmuziek vanuit de woonkamer. Adolf en Eva werden er op de valreep in de echt verbonden. De plechtigheid verliep niet bepaald vlekkeloos, er deden zich opnieuw ernstige ontploffingen voor. De vijand belegerde de stad met grote overmacht. Door de beschietingen liep de herdershond angstig weg om zich tegen de ingestorte geest aan te vlijen; het enige behaaglijke plekje onder de grond. Voor Michel was dit een uitkomst, want hij herstelde opvallend goed door deze dierlijke warmte. Bij nader inzien wilde hij toch de ontknoping van het oorlogsdrama meemaken. Voor de zekerheid besloot hij uit de buurt van de mediamieke Goebbels te blijven, en op scherp sloeg hij de ondergang van de nazi's gade. Na de trouwpartij maakte de Führer bekend dat hij zelfmoord ging plegen en nu wilde hij met rust gelaten worden. Toen hij met Eva alleen was, druppelde hij iets in de bek van zijn trouwe viervoeter. Blondie viel dood neer en werd in de hoek van de kamer weggemoffeld.
Hij moet een gif hebben uitgeprobeerd, begreep Michel. En inderdaad sloeg de grote roerganger nu de hand aan zijn kersverse bruid om vervolgens het doeltreffende gif bij zichzelf toe te dienen. Allebei vielen ze in eeuwige slaap. Toen trad de persoonlijke bediende binnen, die zijn werkgever alsnog door het hoofd schoot. De laatste getrouwen sleepten de twee lijken en de belangrijke documenten naar boven en verbrandden alles in de tuin.
'Opgeruimd staat netjes,' mompelde de meegekomen ziener, die weer in de bunker terugkeerde om alles tot de laatste minuut mee te maken.
Wie hebben we nog meer? vroeg hij zich af, terwijl hij in het gebouw rondwaarde. In de kinderkamer kwam hij nieuwe gruwelen tegen. De zes telgen van Goebbels lagen dood door vergiftiging in bed.
Daar zitten vader en moeder achter, vermoedde Michel, die het stel vervolgens levenloos achter de deur ontdekte.
Gerechtigheid heeft plaatsgevonden, hoewel, de kwade genius is nog ontkomen, en resoluut begaf hij zich naar de tunnel, waardoor Himmler moest ontkomen zijn. Behoedzaam betrad hij de donkere gang, maar hij schaafde zich alras aan de fundering.
Oei, dit gaat veel kracht vergen, stelde hij zorgelijk. In de verte scheen gelukkig wat licht. Het was echter van korte duur, want het bleek van Hitlers secretaresse afkomstig te zijn, die haar hachje probeerde te redden. Verslagen liep Traudl met een lantaarn langs het spoor. Hij scheerde erlangs en maakte voort. Een ondergronds station doemde even later op en gebrekkige lampen beschenen grote groepen vrouwen, kinderen en bejaarden. Ze hadden zich er verscholen voor de zware gevechten in de stad en zaten op het perron te wachten op het naderende einde van de oorlog. Michel vloog langs de arcades en de wanhopige gezichten en liet het U-Bahn station weer achter zich. Terwijl hij het spoor naar het westen volgde, stootte hij zich opnieuw lelijk tegen de tunnelwand.
'Auw,' riep hij, maar het was geen aardse pijn, slechts storing, en hij voerde de snelheid op. Zijn intuïtie vertelde hem dat hij op tijd moest komen. Een volgend station kwam tevoorschijn, waar heftige gevechten plaatsvonden. Fanatieke SS-ers vermoordden er gedeserteerde soldaten, die zich tussen de schuilende burgers hadden verschanst.
Geen tijd om erbij stil te staan, besliste de geest en hij zeilde langs de Berlijners, die voor hun leven vochten. De tunnel leek wel eindeloos, totdat de doorgang ineens verbroken werd. De ondergrondse was ingestort en er scheen een weinig daglicht op de puinhopen. Michel bekeek het verwoeste plafond en gleed met zijn soepele lijf door de opening naar buiten en geraakte in West-Berlijn, dat met de grond gelijk was gemaakt. Grote branden veroorzaakten er zwarte wolken en hier en daar stond nog een laatste blok huizen overeind. De geallieerden trokken gestaag door de resterende straten naar de binnenstad toe. Overal lagen met bloed besmeurde lijken tussen brokken puin en omgevallen bomen. Uit de wolken kwam opeens een zwerm ronkende objecten voorbij gevlogen.
'Het is de mens gelukt vliegmachines te bouwen!' riep de ziener in euforie uit, maar hij laakte zijn kinderachtige gedrag en concentreerde zich weer op tekenen van Himmler. Vanuit de lucht ontdekte hij een Britse controlepost, die de weg versperde voor uitgaand verkeer; er werden enkele paardeloze koetsen onderzocht. Verder waren er duizenden soldaten, maar die marcheerden allemaal naar het centrum. Hij was het spoor bijster en keerde terug naar de ingestorte tunnel voor mogelijke aanwijzingen. Eureka! Achter een berg gruis lagen een officierspet en bijbehorend jasje met daarop de hoogste rang van het land.
De nazi heeft zich van zijn uniform ontdaan, realiseerde hij zich en hij zocht vervolgens de wijde omgeving af. Hij vloog een paar keer boven de controlepost, toen hij Himmler ontdekte. Die kwam net een barak uitgelopen en werd door een Britse commandant begeleid. Himmler deed zich voor als een eenvoudige, gedeserteerde officier en probeerde heimelijk afspraken te maken. De geest landde vlak naast hem in het gras en hoorde hem staan huichelen. De schurk hield een listig verhaal en sprak fluisterend over een grootse beloning. De Britse commandant voelde er wel wat voor en keek schichtig om zich heen of hij niet door collega's betrapt kon worden. Maar de chaos was groot en de Engelse en Amerikaanse soldaten hadden alleen oog voor de laatste verzethaarden. Dit was hét moment voor duistere afspraakjes en de mannen gingen achter een boom staan konkelfoezen. Himmler speelde met vuur en er volgde een woordenwisseling over de hoogte van de steekpenningen.
'Deal,' stemde de Brit er ten slotte mee in, en ze bezegelden de afspraak toen donkere wolken boven hen plotseling wonderbaarlijk openbraken. De zon kwam door de opening tevoorschijn en straalde precies op het duistere gebeuren. Himmler werd in het zonnetje gezet; zo ook Nostradamus, die onvoorzien zichtbaar werd.
'Ben jij 't die het laatste oordeel velt?' vroeg de gewetenloze Duitser, die hem zag verschijnen. De vermeende rechter keek hem zwijgend doch betekenisvol aan.
'Ik spuug op je,' zei Himmler, zonder een greintje wroeging. Toen vloog een mysterieuze pijl vanuit de hemel tussen de wolken door en schoot precies in zijn hart. Dit betekende definitief het einde van het Derde Rijk.
Maakt mijn aanwezigheid nu wel of niet verschil uit? vroeg Michel zich tenslotte af.



Hoofdstuk 8/16



online Nostradamus boek op
www.nostredame.info